Bezwaren tegen een dichte dam

Door de jaren heen is er een probleem zich voor gaan doen in de Hollandse IJssel. Zout zeewater rukt langzaam op naar het westen, omdat er relatief weinig zoet water door rivieren wordt aangevoerd. Daardoor kan de zoutgrens zich steeds verder stroomopwaarts verplaatsen. Voor de drinkwaterwinning kan dat nare gevolgen hebben. Het water van de Maas en de IJssel wordt namelijk gebruikt om inwoners van Rotterdam en omstreken van drinkwater te voorzien. Als het rivierwater zouter wordt, stijgen namelijk de kosten van de drinkwaterzuiveringsbedrijven, aangezien het water eerst onzilt moet worden.

Luchtfoto van de stormvloedkering
Stormvloedkering
Uit onderzoek bleek dat de getijden er juist voor zorgen dat het water in de Hollandsche IJssel zoet blijft. Het tij doet een zoetwaterbel heen en weer bewegen zonder haar in omvang te laten toe -of afnemen. Het zoetwaterreservoir zorgt ervoor dat het zoute water niet de rivier op kan stromen. Een afdamming van de Hollandsche IJssel zou tot gevolg kunnen hebben dat het evenwicht wordt verstoord en de zoutgrens westwaarts verschuift.  Bovendien zou het afvalwater van de stad Gouda niet ongehinderd naar de Noordzee kunnen stromen. Afgezien van nieuwe zuiveringsinstallaties zou de hele stad van een nieuwe riolering voorzien moeten worden. Voor een oude stad als Gouda is dat bijna niet te doen. Een derde bezwaar voor de bouw van een dichte dam in de Hollandsche IJssel is van praktische aard. Aan de Hollandse IJssel bevonden zich een aantal scheepswerven die schepen tot ongeveer 2000 ton produceerden. Voor deze schepen zou er er in de dam een schutsluis moeten komen. Deze sluis zou echter niet de enige zijn, want behalve een schutsluis zou de dam ook een stroomsluis voor het water en een sluis voor de binnenvaart moeten hebben. Dat zou simpelweg niet passen. Door deze drie overwegingen had men al voor de ramp van 1953 het plan verworpen om een dichte dam in de Hollandsche IJsel te bouwen.