De eerste vloeden

Eerste grote watersnoodramp (838)

Op 26 december 838 liep een groot deel van Noordwest-Nederland onder water door een stormvloed. De belangrijkste reden voor deze ramp was het gebrek aan goede dijken. Veel is er over deze ramp niet bekend. Er zijn slechts twee onafhankelijke verslagen van bekend. De eerste is van bisschop Prudentius van Troyes. Hij schrijft in zijn annalen, die het tijdvak 835-861 omvatten, dat op 26 december 838 bijna heel 'Frisia' door de zee was overstroomd. Het water had ongeveer zo hoog als de toppen van de duinen gestaan. Mensen, dieren en huizen waren verzwolgen in het water. Volgens tellingen zouden er 2437 slachtoffers zijn gevallen. Met Frisia bedoelde Prudentius niet alleen het gebied van het huidige Friesland, maar het hele Nederlandse kustgebied. De andere bron komt uit de zogenaamde Annales Xantenses. Daarin wordt een hevige wervelwind gemeld op diezelfde 26 december, die het zeewater over de kusten joeg en overstromingen teweeg bracht, die een groot aantal nederzettingen verwoestte.

De tweede vloed (1014)

De tweede bekende grote ramp was op 28 september 1014. Voor het eerst zou de vrijwel gesloten kustlijn van de Lage Landen worden doorbroken. Eén van de bronnen noemt met name Walcheren, waar de schade enorm zou zijn. Men zou de schade pas langzaam te boven zijn gekomen. In de kroniek van de abdij van Quedlinburg in Saksen spreekt men over duizenden doden.