De getijden


Animatie: Eb en Vloed
Het is je vast wel eens overkomen: je had net een mooi zandkasteel gebouwd, en even later had de zee het totaal vernietigd. Hoe kan het dat het water ineens zoveel kan stijgen?

De werking van de getijden

Tussen de maan en de aarde bestaat een aantrekkingskracht, waardoor ze om elkaar heen bewegen. Door deze aantrekkingskracht, eigenlijk de som van verschillende tegenwerkende krachten (de centrifugale kracht en de aantrekkingskracht), wordt de aarde als het ware vervormd in de vorm van een rugbybal. De watermassa's in de oceanen vervormen veel sterker dan de vaste aarde en worden door deze kracht aangetrokken, waardoor het water op bepaalde plekken hoger komt te staan, en op andere plekken weer lager. Omdat de aarde om zijn eigen as draait, verplaatst de vervorming zich in de loop van de dag. De aarde draait in ongeveer een dag om zijn as, en dus komt de aarde uiteindelijk weer ongeveer in dezelfde stand te staan als waarin hij begon. Zo wordt het dus twee keer per dag hoogwater (de waterstand is op z'n hoogst), en twee keer per dag laagwater (de waterstand is op z'n laagst).

Eb en vloed

Golven in de branding
De branding
Eb is de hele periode tussen hoogwater en het opvolgende laagwater. Als het water weer opkomt spreekt men, tot en met het volgende hoogwater, van vloed. Eb en vloed wisselen elkaar regelmatig af, en deze beweging van eb en vloed noemen we ook wel het getij of de getijden.

Springtij en doodtij

Niet alleen de maan heeft invloed op de getijden, ook de zon helpt een handje mee. Als de zon en de maan, gezien vanuit de aarde, op een lijn staan, versterken deze krachten elkaar. Het verschil tussen hoog- en laagwater is dan maximaal, wat betekent dat er extra hoog hoogwater en extra laag laagwater is. Dit noemen we springtij en dat komt voor bij nieuwe maan en bij volle maan. Bij de watersnoodramp in 1953 zorgde een springtij in combinatie met een harde storm voor extra hoge waterstanden.
 
Als de zon en de maan haaks op elkaar staan, werken beide krachten elkaar tegen. Het verschil tussen hoog- en laagwater is minimaal. Deze situatie treedt op bij het eerste en het laatste kwartier van de maan, en wordt doodtij genoemd.

Vorm van de kust

Het verschil tussen hoog- en laagwater wordt, behalve door de zon en de maan, ook beïnvloedt door de vorm van de kust. In een open zeevlakte of een oceaan is het tijverschil ongeveer 1,5 meter. Bij een smalle riviermonding, zoals bijvoorbeeld bij de Westerschelde, moet het water door een kleine opening worden geperst, waardoor het water verder landinwaarts komt en het tijverschil veel groter kan worden.
 
Ook kan het tijverschil worden beïnvloed door meteorologische omstandigheden. Bij een hoge luchtdruk is de waterstand bijvoorbeeld lager dan bij een lage luchtdruk. Bovendien kunnen wind en storm het getijverschil flink laten toenemen.