Natuur


Visdieven (Sterna Hirundo)
Grote stern
Na de sluiting van de Brouwersdam stond het water in de Grevelingen van de ene op de andere dag stil. Er was immers geen getijdewerking meer. Een groot deel van het ecosysteem rond het Grevelingenmeer hing af van de invloed van het zeewater. Een goed voorbeel hiervan zijn scholeksters. Zij leefden op de hogere oevers lang de Grevelingen, maar zochten hun voedsel bij laag water op de slikken bij de oever. Vanaf het moment dat de dam gesloten was, kwam er voor de eksters geen nieuw voedsel meer bij. Kleine schelpdieren gingen al na een aantal dagen dood. Ook planten die van hun bestaan afhankelijk waren van de aanvoer van zout water, legden al snel het loodje.

Kerkhof in zee


Twee weken na de sluiting van de Grevelingen was de oever een groot kerkhof geworden. Overal lagen rottende planten en dieren. Veel soorten waren van zuurstof en/of voedsel afhankelijk van het Noordzeewater. Omdat voor rottingsprocessen zuurstof nodig is, trad er een vicieuze cirkel op waarbij steeds meer zuurstof aan het water onttrokken werd. De massale sterfte voltrok zich met name onder water. Toch waren ook boven water de gevolgen van de sluiting merkbaar.
De slikken, die normaal nat werden gehouden, droogden uit. Een slik is een buitendijkse kleigrond die normaal bij eb droogvalt en onbegroeid is. Slikgronden vormen een groot

Vissen
Vissen
deel van de lagere buitendijkse gronden van Zeeland, Groningen en Friesland. Ook de gronden van de pas drooggevallen IJsselmeerpolders waren slikgronden. Omdat er geen planten groeiden om de grond vast te houden, verstoof veel van de uitgedroogde klei. Om de uitdroging tegen te gaan werden er twee maatregelen getroffen. Ten eerste werden er grassen en granen gezaaid die de grond bij elkaar moesten houden. Ten tweede werden er schermen van takken gemaakt die op de zandgronden werden gezet. Tegen die bossen vormde zich op een gegeven moment duinen, die verdere verstuiving tegengingen. Op de oorspronkelijke slikken vestigden een aantal nieuwe vogelsoorten, waaronder kluten, strandplevieren, bontbekplevieren en dwergsterns. Zij gebruikten de schelpenrijke gronden als broedplek. Toen er meer planten gingen groeien, kwamen er meer kievieten, tureluurs, grutto's en leeuwerikken voor hen in de plaats.

Zeegras


De Hompelvoet, een eiland in de Grevelingen, is tegenwoordig de grootste broedplaats voor grote sterns in het Deltagebied, met zo'n 3000 broedparen. Er zijn ook vogels die speciaal voor het zeegras naar de Grevelingen komen. Ook sommige vissen zijn dol op deze lekkernij. In Nederland kan men twee soorten zeegras vinden langs de kusten van de Waddenzee en in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse zeearmen. De eerste soort, groot zeegras, nam na de sluiting van de Grevelingen in 1971 binnen korte tijd 4500 hectare (45 km2) in beslag. Vanaf 1989 nam groot zeegras (mogelijk door de slijmzwam Labyrinthula) met ongeveer 95% af. De plant groeit op plaatsen die bij eb niet droogvallen. Klein zeegras heeft kleinere bladen en groeit op plaatsen die bij eb wel droogvallen. Zelfs in de diepere delen van het Grevelingenmeer komt zeegras voor, omdat het zonlicht door het heldere water ver kan doordringen.
Vooral de rotgans eet veel zeegras, maar ook meerkoeten, smienten en knobbelzwanen lusten er wel pap van. In het zeegras leven nu ook veel kruiskwalletjes en zwarte grondels. De zwarte gondel was een nieuw visje voor Nederlandse begrippen. In 1964 werd het voor het eerst in het Veerse Meer ontdekt. Fuikhorens kwam eerst ook niet voor in de Grevelingen. Terwijl deze slak eerst alleen in de kanalen op Walcheren en Zuid-Beveland gesignaleerd werd, is het nu een van de meest voorkomende slakken in het meer.

Het evenwicht hersteld


Aan de hand van twee voorbeelden kan duidelijk gemaakt worden dat de toekomst voor de flora en fauna er net na de sluiting vaak niet rooskleurig uitzag. Na verloop van tijd is het met veel soorten goedgekomen. Sommige soorten zijn verdwenen en weer anderen zijn erbij gekomen.

De gereedzijnde sluis in de Brouwersdam
Sluis Brouwersdam
Het eerste voorbeeld vormen de jonge schollen die voor de sluiting van de dam in de Grevelingen zwommen. Na verloop van tijd stuitten ze bij hun tocht naar zee op de dam. Gedesoriënteerd bleven ze in de buurt van de dam zwemmen. Toen dit bekend werd, trokken hordes sportvissers naar de dam om de schol te vangen. Deze zou bijna uitgestorven zijn als er niet voortijdig maatregelingen waren genomen. Zo werden er nieuwe schollen uitgezet. Sinds de voltooiing van de doorlaatsluizen in de Brouwersdam kunnen de schollen weer ongehinderd naar de Noordzee zwemmen.
Een tweede voorbeeld zijn de oesters. Iedereen was bang dat door de afsluiting van de zeearmen de kenmerkende oesters uit Zeeland zouden verdwijnen. Tijdens de strenge winter van 1962-1963 waren al bijna alle oesters uitgestorven. Des te groter was de vreugde toen er toch weer oesters ontdekt werden. Ook na de sluiting van het Brouwershavense Gat bleken de oesters niet van wijken te weten. De oesters hadden het er zo naar hun zin dat ze elk jaar voor miljoenen jonge oestertjes zorgden.