De Krammersluizen

Uitzicht op de krammersluizen vanaf de uitkijktoren op de Philipsdam
Philipsdam
Het hoogtepunt van de Philipsdam wordt gevormd door de twee scheepsvaartsluizen. Deze sluizen waren nodig omdat de Philipsdam precies op de scheepsvaartverbinding tussen de Schelde en de Rijn kwam te liggen. Deze Krammersluizen hebben een uniek systeem waarmee zout en zoet water van elkaar gescheiden kunnen worden. Men wilde voorkomen dat er tijdens het passeren van schepen teveel zout Oosterscheldewater in het zoete Volkerak zou komen of teveel zoet water in de Oosterschelde. Met een zout-zoet scheidingssysteem was al ervaring opgedaan bij de Kreekraksluizen zuidelijker in de Schelde-Rijnverbinding. De sluizen werden 280 meter lang en 24 meter breed om ook ruimte te kunnn bieden aan binnenvaartschepen met vier duwbakken. Voor de sluizen werden voorhavens aangelegd van 1,3 kilometer lengte waar schepen konden aanmeren. Ten noorden van de twee schutsluizen kwam bovendien een extra jachtsluis, die een eigen voorhaven van 75 meter had. Er werd ruimte gereserveerd voor extra sluizen als de beroeps- of pleziervaart in de toekomst zou toenemen.

De Schelde-Rijnverbinding


Zijaanzicht van de Krammersluizen
Krammersluizen
De Schelde–Rijnverbinding (of het Schelde–Rijnkanaal) werd in 1975 opengesteld voor het scheepsvaartverkeer tussen de Schelde en het Volkerak. Het kanaal is 38 kilometer lang en begint in het Antwerpse havengebied. Vanaf daar gaat het door Zuid-Beveland, naar de Kreekraksluizen in de Oosterschelde. Dan volgt het een gebaggerde geul door de Oosterschelde en de verbrede rivier de Eendracht. Daarna gaat het kanaal door St. Philipsland en komt het uit bij het Volkerak. Als schepen daar de Krammersluizen van de Philipsdam passeren, zij ze in het Hollandsch Diep aangekomen. Tenslotte kan via de Merwede de Waal bereikt worden. Duwvaartcombinaties tot 9000 ton kunnen van het Schelde-Rijnkanaal gebruik maken.

Zout en zoet water scheiden


Sluis met Zoet - Zout waterscheiding.
Animatie: Sluis Zoet/Zout
Bij het ontwerp van de sluizen maakte men gebruik van het feit dat zout water een hogere dichtheid heeft dan zoet water (1,03 kg/dm3 in vergelijking met 1,00 kg/dm3). Als zoet en zout water gemengd worden, zakt het zoute water naar beneden. Stel dat: een schip vaart vanaf de Oosterschelde de sluis in. De deuren sluiten zich dan eerst achter het schip. Vervolgens wordt het zoute water (dat onderin zit) aan de onderkant weggepompt. Aan de bovenkant wordt er zoet water in de sluis gepompt. Als het waterpeil ver genoeg is gezakt en het zoute deel is weggepompt, gaat de sluis open. Als een schip vanaf het Volkerak de Oosterschelde in wil, gebeurt ongeveer hetzelfde: eenmaal in de sluis sluiten de deuren zich achter het schip. Het zoete water wordt aan bovenkant voor het grootste deel weggepompt, terwijl men aan de onderkant zout water erbij pompt. Als het waterniveau gelijk is aan dat van de Oosterschelde worden de sluisdeuren aan de voorkant van het schip geopend. Het is onvermijdelijk dat er elke keer een weinig zoet water in de Oosterschelde terechtkomt. Het heeft echter geen invloed van betekenis op het zoutwatermilieu.