Techniek

De techniek die bij de bouw van de Westerscheldetunnel werd gebruikt was voor een groot deel nieuw. Niet vaak werd in zulke slappe grond, op zo’n diepe, zo’n lange tunnel gebouwd. Voor het project werden twee tunnelboormachines (TBM) speciaal in Duitsland gemaakt. De boormachine werkte volgens de hydroschildmethode. De boormachine stond aan de voorkant in contact met de grond die weggeboord moest worden. Laag voor laag werd de grond door het snijrad afgegraven. Het snijrad kon twee kanten opdraaien en bestond uit zes armen, of 'spaken', met in totaal 64 tanden. De tanden wroetten de grond los.

Hoe dieper de boormachine kwam, hoe hoger de druk. Zo’n 60 meter onder de grond was de druk zeven keer zo groot als de normale luchtdruk op het aardoppervlak. Er heerste een druk van 7 bar (1 bar = 105 pascal = 100 kilopascal). In de tunnel zelf werd een normale luchtdruk gehandhaafd, anders had men er moeilijk kunnen werken.

De boormachine werd omhuld door een boorschild, dat het geboorde gat in stand hield zodat er geen zand en water de tunnel binnen zou stromen. Het was een ronde metalen behuizing met een doorsnede van ongeveer 11 meter en een lengte van 11,5 meter. Alle apparatuur die nodig was voor de bouw bevonden zich tijdens het boren in wagens achter het boorschild. Steeds als de boormachine een stuk verder was, kon er een deel van de definitieve tunnelwand worden geplaatst. In het staartstuk werden de tunnelwandelementen geplaatst. De definitieve tunnel begon dus eigenlijk in het staartstuk.