Geschiedenis

Eerste bewoning

De eerste mensen kwamen ongeveer 150.000 jaar geleden in Zeeland wonen. Dat blijkt uit de vondst van een bijl in de buurt van Cadzand die zo oud wordt geschat. Het gebied rond Cadzand ligt wat hoger dan de rest van Zeeland en zou daarom bij uitstek geschikt zijn om te wonen. Men werd er immers minder door het zeewater bedreigd. Op de hoger gelegen zandrug werden nog meer voorwerpen gevonden die wijzen op een vroegtijdige bewoning. Andere voorwerpen die in het oosten van ZeeuwschVlaandere werden gevonden (Nieuw-Namen), zoals stenen pijlpunten, stammen uit een ander tijdperk. Zij zijn ‘slechts’ 11.000 jaar oud. 

Boeren

Ongeveer 6500 jaar geleden trokken de eerste boeren Zeeland binnen. En ze weten niet van opgeven! Het Zeeland van toen zag er echter meer ‘zee’ dan ‘land’ uit. Rond het begin van de jaartelling strekte zich langs de kust een lange duinenrij uit, die af en toe doorbroken werd door riviermondingen. Tot het vasteland van Brabant strekte zich een groot veengebied uit dat met kreken doorsneden werd. De boeren leefden niet in totaal isolement: uit vondsten van aardewerk kan opgemaakt worden dat ze hun potten uit Duitsland of Frankrijk lieten komen.

De Romeinse tijd

In de plaats Aardenburg zijn veel spullen uit de Romeinse tijd gevonden. Hoewel de kern van het Romeinse rijk zich in Rome bevond, strekte het Romeinse Rijk zich naar alle kanten uit. De eerste Romeinse soldaat zetten ongeveer 2000 jaar geleden voet op Zeeuwse bodem. Een paar honderd jaar later verdween de laatste. Domburg, tegenwoordig een bescheiden badplaats op Walcheren, was in die tijd buitengewoon belangrijk. Domburg vormde het vertrekpunt van schepen naar Engeland en van handelslui verder West-Europa in. Na een hevige storm in het jaar 1647 kwamen er in Domburg van onder de duinen resten tevoorschijn van een tempel die aan de godin Nehalennia gewijd was. In die tijd lieten rijke kooplieden ook stenen altaren bouwen voor deze godin als teken van dankbaarheid voor hun behouden thuiskomst. Ook in de Oosterschelde zijn allerlei vondsten uit de Romeinse tijd opgediept.

Vikingen

Driehonderd na Christus moesten bijna alle mensen Zeeland verlaten, omdat grote overstromingen het gebied teisterden. Alleen de duinen boven misschien bescherming tegen het geweld van de golven. In het begin van de Middeleeuwen daarentegen was er wel volop activiteit. Ook dit keer speelde Domburg een centrale rol in het contact met Engeland. De plaats heette toen waarschijnlijk Walacria, de naam die later zou overgaan op het eiland Walcheren. Rond 850 vielen de Vikingen uit Denemarken Walcheren binnen. Toen zij wegtrokken, werd besloten het land beter te verdedigen. Op een aantal plaatsen werden verdedigingburchten gebouwd. Deze zijn tegenwoordig nog steeds aan hun naam herkenbaar. Het zijn: Oostburg, Oost-Souburg, Middelburg, Dombug en Burg. Deze burchten maakten deel uit van een verdedigingslijn die liep van Den Burg (op Texel) tot in Frankrijk.

Inpoldering

Halverwege de Middeleeuwen kwam er schot in de inpoldering. Vlaamse abdijen bezitten in die tijd nog grote stukken van het Zeeuwse land. Zij gaven dan de opdracht dat een bepaald stuk water ingepolderd moest worden. Dat was echter makkelijker gezegd dan gedaan. De bouw van een ringdijk om het water buiten de deur te houden, was destijds niet zo makkelijk als tegenwoordig. De arbeiders hadden alleen hun handen, een schop en een rieten mand tot hun beschikking. Desondanks vorderde de inpoldering. Door kleine eilandjes met elkaar te verbinden ontstonden steeds grotere oppervlaktes land.

Welvaart

De introductie van schapen bleek een goede economische zet. De dieren, die voedsel vonden op de schorren en slikken betekenden het begin van een bloeiende wolhandel. Met de handel nam de welvaart toe, en met de welvaart de bevolking. In de twaalfde en dertiende eeuw ontstonden er een groot aantal dorpen. Een dorp telde pas echt mee als een het een kerk had. Tegenwoordig heeft zelfs het kleinste dorpje nog een kerk. Sommige dorpen groeiden uit tot stad. Middelburg en Veere waren er daar twee van.

16de en 17de eeuw

Vier eeuwen later, in de 16de eeuw, kwam Zeeland in minder gunstig vaarwater terecht. Economische groei ging gepaard met oorlogen en overstromingen. Op 5 november 1530 (Sint Felix quade Saterdach) verdwenen Noord-Bevelang, Borssele en Sint-Philipsland onder water. Voor tientallen jaren. Tegelijk voerde de Nederlanden oorlog tegen de Filips II, koning van Spanje. Toen Willem van Oranje in 1574 Middelburg binnenviel, vertrokken de kloosterlingen de Middelburgse Abdij. Vanaf toen nam het bestuur van de provincie haar intrek in dit complex. Toen ruim tien jaar later Antwerpen bedreigd werd, trokken veel (welgestelde) Vlamingen naar Zeeland. Zij waren een belangrijke impuls voor het culturele en maatschappelijke leven in de regio. De Gouden Eeuw die volgde was voor heel Nederland een periode van overvloed. Steden als Middelburg, Veere, Zierikzee, Tholen, Vlissingen en Brouwershaven getuigen nog steeds van die rijkdom.

Napoleon

In de 18de eeuw veranderde er veel in Zeeland. Economisch ging het niet bepaald voor de wind. Tussen 1795 en 1813 werd Nederland ook nog eens bezet door de legers van Napoleon. De Zeeuwse steden verarmden en de scheepvaart op de Westerschelde werd lam gelegd. Zeeland viel terug in de agrarische situatie waarin het zich een paar eeuw geleden had bevonden. Toen de Franse legers wegtrokken, lieten ze de provincie kaal en leeg achter. In de 19de eeuw zijn enorm veel gebouwen tegen de grond gegaan omdat ze verwaarloosd waren.

Infrastructuur

Goede verbindingen zijn altijd van cruciaal belang geweest bij de ontwikkeling van Zeeland. In 1868 kwam er een spoorlijn tussen Goes en Bergen op Zoom te liggen. Een paar jaar later werd het spoor doorgetrokken tot in Vlissingen. Ook werd het kanaal door Walcheren gegraven en werd de Vlissingse haven aangelegd. De oprichting van de scheepsbouwmaatschappij De Schelde zorgde voor veel werkgelegenheid. Aan het begin van de twintigste eeuw verschenen er trams op Walcheren en later ook in Zeeuwsch-Vlaanderen en op Schouwen.

De Tweede Wereldoorlog

Tussen 1940 en 1945 was Nederland bezet door de Duitsers. Op 17 mei 1940 bombardeerden zijn onder andere het centrum van Middelburg. Dat werd bijna geheel verwoest. Vlissingen had de twijfelachtige eer de ‘meest beschoten stad’ van Nederland te zijn. Aan het einde van de oorlog was er nog slechts 1 huis dat niet beschoten was geweest. Terwijl Nederland pas in mei 1945 helemaal bevrijd zou zijn, waren de geallieerden al in oktober 1944 bezig met hun offensief. Ze bombardeerden toen de zeedijken, met de bedoeling het water in de polders te laten en de Duitsers te verdrijven. Dit wordt ook wel de ‘inundatie’ genoemd. Via de Westerschelde konden de geallieerden optrekken naar Antwerpen. Schouwen-Duiveland bleef nog tot 1945 in Duitse handen.
De wederopbouw kreeg maar langzaam gestalte. Toen men uiteindelijk na jaren hard werk de zaakjes weer op orde had, gooide de watersnoodramp van 1953 roet in het eten. De Zeeuwen waren weer terug bij af. In het hele Deltagebied kwamen 1836 mensen om het leven en grote delen van Zeeland liepen onder. Na de ramp besloot men rigoureuze maatregelen te nemen. De aanleg van de Deltawerken bereikte in 1986 met de voltooiing van de Oosterschelde stormvloedkering haar hoogtepunt. In de tweede helft van de twintigste eeuw nam de industrie, handel en transport flink toe. Tegenwoordig zijn zelfs de meeste Zeeuwen werkzaam in de industrie- of dienstensector.