Het Nederlandse landschap

Verschillen binnen Nederland

In Veere, een klein stadje aan het Veerse Meer, staat een mineralenwinkel waar edelstenen van over de hele wereld worden verkocht. Toeristen die als aandenken een bijzondere steen uit Nederland mee naar huis willen nemen, komen echter bedrogen uit. Hoe komt het dat er geen stenen uit Nederland te koop zijn?

Dat heeft te maken met de ontstaansgeschiedenis van ons land. Het grootste deel van Nederlandse bodem is aangevoerd door de zee, rivieren of de wind. Slechts op plekken waar in de ijstijden het landijs oprukte heeft het landschap een opmerkelijke verandering ondergaan. In Utrecht, Gelderland en Overijssel kenmerken een aantal heuvels het landschap. Ook in het zuiden van Limburg is het landschap enigszins ‘on-Nederlands’. Daar treft men löss aan, dat ook wel Limburgse klei genoemd wordt. Er zijn slechts een paar andere plekken in Nederland (tussen Velp en Ellecom, aan bij de lijzijdes van de stuwwallen bij Nijmegen en de Veluwe) waar de fijnkorrelige sedimenten voorkomen. In Zuid-Limburg is het landschap ook stukken heuvelachtiger dan in de rest van het land. Daar ligt op 322,5 meter boven zeeniveau het hoogste punt van Nederland, de Vaalserberg.

De afgelopen 10.000 jaar

In de laatste tienduizend jaar is het landschap vooral gevormd door de invloed van de zee en van rivieren. De zee was op drie manieren invloedrijk. Ten eerste zette de zee aan de kust grote hoeveelheden zeeklei af. Ten tweede vormde de zee enorme duincomplexen. Ten derde brak de zee stukje bij beetje de veengebieden af die oorspronkelijk achter de strandwallen algen. Daardoor ontstonden bijvoorbeeld de Zuiderzee (tegenwoordig het IJsselmeer) en de Biesbosch. Mede door de werking van de wind verstoof in de loop van de tijd het zand en werden duinen gevormd.

De mens verschijnt op het toneel

Het landschap is behalve door natuurlijke factoren ook bepaald door de mens. Tweeduizend jaar geleden was het hele westen van Nederland en grote delen van Groningen, Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg met verschillende soorten veen bedekt. De mens heeft dit veen bijna allemaal afgegraven. Het gedroogde veen (turf) was vroeger een belangrijke brandstof. De meren en plassen die daardoor ontstonden werden vaak drooggelegd. Een goed voorbeeld hiervan is de Prins Alexanderpolder, met -6 meter N.A.P. het laagste punt van Nederland. Op de plaatsen waar het veen verdween, kwam de glooiende zandgrond aan de oppervlakte. Voordat de mens op het toneel verscheen hadden kreken alle ruimte. Door de bedijking van de kreken kwam een groot deel van het vruchtbare land dat oorspronkelijk tot het stroomgebeid van de kreken had behoord vrij voor bijvoorbeeld landbouw.