Het Phanerozoïcum

Het Phanerozoïcum is het tijdperk dat 590 miljoen jaar geleden begon en dat steeds voortduurt. Deze periode kan in drie delen opgesplitst worden: het Paleozoïcum, Mesozoïcum en Kaenozoïcum. Een van de belangrijkste gebeurtenissen was de ontwikkeling van het organische leven. Deze ontwikkeling is voor wetenschappers relatief makkelijk te volgen, omdat dieren in het Phanerozoïcum steeds vaker harde delen (schalen of skeletten) kregen. In tegenstelling tot zachte delen, zijn van deze harde delen fossielen te vinden. Verder zijn er tegenwoordig nog veel gesteenten uit het Phanerozoïcum te vinden. Wetenschappers kunnen daaruit conclusies trekken over onder andere het klimaat en de evolutie van planten en dieren.

De continenten

De continenten zoals we die nu kennen (Euro-Azië, Afrika, Oceanië, Noord- en Zui-Amerika en Antarctica) zaten eerst allemaal aan elkaar vast. Dit supercontinent heet Pangea. Doordat de continenten op elkaar ‘botsten’ ontstonden er een aantal gebergten, waaronder de Appalachen in de Verenigde Staten. Binnen dit immense continent ontstond in de loop van de tijd een noordelijk en een zuidelijk deel, die gescheiden werden door een nieuwe oceaan, de Tethys. Het noordelijke blok heet Laurasia, het zuidelijke deel Gondwana. Laurasia is later uiteengevallen in Noord-Amerika, Groenland, Europa en Azië. Gondwana bestond uit het huidige Zuid-Amerika, Afrika, India, Australië en Antarctica. Tijdens het Jura-tijdperk (tussen de 205–135 miljoen jaar geleden) begonnen de twee supercontinenten verder uit elkaar te scheuren. De continenten gingen op weg naar hun huidige positie. Afrika, het Arabische schiereiland en India botsten tegen Europa en Azië aan. Een van de resultaten daarvan was het Himalya gebergte en met name de Mount Everest, de hoogste berg op aarde (8850 meter). De botsing had zo’n impact dat het Himalya gebergte zelfs vandaag de dag nog met een aantal centimeters per jaar hoger wordt. In deze tijd ontstonden ook de gebergten aan de westkust van Noord- en Zuid-Amerika en de talrijke eilanden voor de oostkust van Azië. 

Het klimaat

Het klimaat in het Phanerozoïcum heeft heel wat schommelingen ondergaan. In verschillen tijdperken ontstonden ijsmassa’s, die zelfs het land bedekten. Zo’n 500 miljoen jaar geleden (het Ordovicium) bedekte ijs delen van Noord-Afrika en Zuid-Amerika. Later, in de periode tussen 350 en 250 miljoen jaar geleden (het Carboon en het Perm) bedekten gletsjers Gondwana. Nog later, vanaf zo’n 65 miljoen jaar geleden tot nu waren afwisselend grote delen van Antarctica, Noord-Amerika en Europa met ijs bedekt.

Leven

De oudste gevonden fossielen stammen uit dezelfde tijd als de oudste ons bekende gesteenten. De alleroudste fossielen zijn 3,4 miljard jaar oud en bestaan uit bacterieachtige, ronde en vezelachtige structuren. Stromatolieten, die tegenwoordig voornamelijk in Shark Bay (aan de westkust van Australië) en in Yellowstone Park (V.S.) worden gevonden, kwamen veel voor in het Archaeïcum en met name in het Proterozoïcum. De eerste sponzen verschenen aan het einde van het Proterozoïcum, ca. 700 miljoen jaar geleden. Over het algemeen wordt het dierenrijk verdeeld in twee groepen: sponsen en niet-sponsen. Het grote verschil is dat sponsen geen spijsverteringsstysteem hebben. Voorbeelden hiervan zijn kwallen en poliepen.
In het begin van het Paleozoïcum volgde een explosieve ontwikkeling van ongewervelde niet-sponzen. Fossielen van 500 miljoen jaar oud tonen aan dat destijds alle niet-gewervelde dieren van tegenwoordig al aanwezig waren. In het Ordovicium verschenen de eerste gewervelde dieren op het toneel: vissen.

Landbewoning

Voor het begin van het Paleozoïcum kon men nog niet van een atmosfeer spreken zoals wij die nu kennen. Pas tijdens dit tijdperk nam de hoeveelheid zuurstof in de lucht steeds verder toe. Uiteindelijk kwam er zoveel zuurstof in de lucht, dat er een ozonlaag kon ontstaan.  Op grote hoogte vallen zuurstofmoleculen uit elkaar onder invloed van ultraviolette straling van de zon. Deze zuurstofmoleculen kunnen samen ozon vormen. Op een hoogte tussen de 15 en 35 kilometer boven het aardoppervlakte bevind zich een dikke laag ozon. Deze laag zorgt ervoor dat schadelijke straling van de zon niet tot de aarde doordringt. Hoe dikker de ozonlaag werd, hoe minder schadelijke ultraviolette straling er tot de aarde doordrong.

Voordat deze beschermende mantel ontstond, hadden dieren voornamelijk van water gebruik gemaakt om zichzelf te beschermen. Planten en dieren konden dus geleidelijk aan op het vasteland gaan leven. De eerste planten kwamen in het Siluur (zo’n 450 miljoen jaar geleden) aan land. Dit waren vaatplanten, bijvoorbeeld varens. Al snel volgden verschillende soorten ongewervelde dieren. In het Devoon volgden amfibieën, in het Carboon reptielen, op de grens van Trias naar Jura (200 miljoen jaar geleden) verschenen voor het eerst zoogdieren en tenslotte de vogels.  Zoogdieren zouden na het verdwijnen van de dinosauriërs aan het eind van het Krijt (65 miljoen jaar geleden) een dominante rol gaan vervullen.