Proterozoïcum

Het Proterozoïcum, de periode in de aardgeschiedenis van 2500 tot 570 miljoen jaar geleden, begint waar het Archaeïcum ophield. De ontwikkeling van de continentale korst leidde tot gebergtevorming aan de rand van de continenten. Er waren twee periodes waarin het aardoppervlakte op het vasteland verder groeide: tussen de 1,9 en 1,5 miljard jaar geleden en tussen de 1,2 miljard en 900 miljoen jaar geleden (1 miljard = 1000 miljoen). Er ontstonden goed gesorteerde afzettingen van zandsteen en klei, gesteenten rijk aan koolstof en evaporieten, afzettingen die ontstaan door de verdamping (evaporatie) van water.

In de periode tussen 2,3 en 2 miljard jaar geleden ontstonden op grote schaal gelaagde ijzerafzettingen, die waarschijnlijk met dank aan levende organismen zijn ontstaan. Hoewel deze gelaagde ijzerafzettingen ook in het Archaeïcum te vinden waren, kan de grote toename ten tijde van het Proterozoïcum verklaard worden door de opkomst van de planten in de zee. Daardoor kwam zoveel zuurstof vrij, dat deze op een gegeven moment niet meer in de ijzerafzettingen kon worden opgeslagen. Als gevolg daarvan kwam er meer vrije zuurstof in de atmosfeer terecht. 

Veranderende atmosfeer

Deze verandering van de atmosfeer had gevolgen verweringsprocessen, en met name voor erosie en sedimentatie. Verwering is het uiteenvallen van gesteenten onder invloed van atmosferische verschijnselen en van plantenbegroeiing. Erosie is het proces waarbij de gesteenten die door verwering vrijkomen door water, ijs en wind afgevoerd worden. Bij sedimentatie wordt het getransporteerde materiaal door ijs, stromend water of de wind weer afgezet – waar het op haar beurt weer verweert etc. etc. Ook voor de ontwikkeling van het leven op aarde had de samenstelling van de atmosfeer gevolgen. Vanaf 3,8 miljard jaar geleden bestonden er slechts eencellige organismen zonder celkern. Daar kwamen 2,3 miljard jaar geleden cellen met celkern bij die niet zonder zuurstof konden.

Evolutie

De volgende stap was de opkomst van meercellige organismen en nog later van organismen die zich voorplanten via geslachtsgemeenschap. Deze meercellige organismen openden nieuwe mogelijkheden voor de evolutie. Evolutie bestaat uit drie componenten: variatie van (soorten) organismen, selectie van de best aangepaste, en transmissie van genetisch materiaal naar de volgende generatie. Tegenwoordig wordt over het algemeen aangenomen dat soorten zich via deze Darwiniaanse evolutie geleidelijk hebben ontwikkeld. De eerste fossiele overblijfselen van de dieren die niet zonder zuurstof kunnen leven, stammen uit het einde van het Proterozoïcum en zijn tussen de 700 en 600 miljoen jaar oud.