Het centrale zeekleigebied

Het derde type zeekleigebied bestaat uit droogmakerijen. Deze kunnen zowel op oude zeeklei als op jonge zeeklei liggen.

Droogmakerijen op oude zeeklei

Zoet, zout, brak grondwater. Bron: Wereld in Werking (Malmberg)
Grondwater
Rond 1550 bestonden in Noord- en Zuid-Holland enkele natuurlijke meren in het veenlandschap. Door uitbaggering van het veen en door erosie werden deze meren echter steeds groter en ging kostbaar grondgebied verloren. Om dit tegen te gaan wilde men de meren droogleggen.

Het droogleggen begon met het aanleggen van een dijk rondom de meren. Deze dijk werd een ringdijk genoemd. Om de dijk heen werd een ringvaart gegraven, zodat het water uit de droogmakerij afgevoerd kon worden. De eerste droogmakerijen werden volbracht door middel van windmolens. In 1852, bij de droogmakerij van de Haarlemmermeer, werd stoombemaling gebruikt. De techniek was in 1930 weer wat verder gevorderd, en bij de drooglegging van de Wieringermeer konden elektrische en dieselgemalen gebruikt worden. Als de polders drooggelegd waren, lag er oude zeeklei op de bodem. De verkaveling is in de droogmakerijen op oude zeeklei modern en rechthoekig, en het landschap is vrij vlak.

Droogmakerijen op jonge zeeklei

De jongste droogmakerijen zijn de IJsselmeerpolders, waarvan de bodem uit jonge zeeklei bestaat. De verkaveling in deze gebieden is recht en grootschalig. Doordat het grondwaterpeil door de goede bemalingstechnieken goed onder controle is te houden, is in dit gebied elk grondgebruik mogelijk.