Het derde advies: afdamming van zeearmen

Op 27 februari 1954 brengt de Deltacommissie haar derde interim-advies uit waarin de afdamming van de zeearmen centraal staat. De afsluiting van zeearmen zou kustverkorting tot gevolg hebben: de zee zou op minder plekken een directe invloed uitoefenen. Het afdammen van het Haringvliet, het Brouwerhavense Gat, de Oosterschelde en het Veerse gat zullen ervoor zorgen dat er geen hoge vloedstanden in deze zeearmen meer kunnen onstaan. 

De voordelen van het afsluiten van de zeegaten

Het afsluiten van de zeegaten had een aantal voordelen ten opzichte van het verhogen van de bestaande dijken:
1. Het verhogen van de bestaande dijken is duurder, moeilijker, minder veilig en minder effectief ten opzichte van het afdammen van de zeegaten
2. Door het afdammen van de zeearmen wordt verzilting tegengegaan
3. Het aanleggen van dammen tussen de verschillende eilanden zorgt voor goede verbindingen met de rest van Nederland
4. Het verhogen van de bestaande dijken zou land kosten, terwijl de aanleg van dammen tot een bescheiden landwinst zou leiden.
5. Door de uitvoering van het Deltaplan zou een uniek recreatiegebied ontstaan.

Ten eerste zou bij dijkverhogingen 1000 km (!) dijk moeten worden verhoogd. Aangezien Nederland nog steeds zakt ten opzichte van de zeespiegel, zouden deze dijken na een aantal jaren waarschijnlijk weer opnieuw opgehoogd moeten worden. Men zou dus niet alleen blijven zitten met het gevaar van overstromingen, ook zouden dijkverhogingen veel onderhoud inhouden. Met het afdammen van de zeearmen, zou er slechts enkele tientallen kilometers duinen, dijken en dammen overblijven, wat veel minder onderhoud zou vragen. Bovendien zouden eventuele verhogingen aan de dammen vrij makkelijk uit te voeren zijn.

Ten tweede zou bij dijkverhogingen het water rondom de Zeeuwse eilanden zout blijven. Het Deltaplan (het afdammen van de zeearmen) zou echter de verzilting tegengaan, omdat er achter de dammen een groot zoet-waterbekken zou ontstaan. Bovendien zou het de gehele zoetwaterhuishouding van Nederland ten goede komen, door een goede afvoer van rivierwater.

Ten derde zouden de eilanden door de uitvoering van het Deltaplan met de rest van Nederland verbonden worden door wegen over de nieuwe dammen. Zouden er alleen dijkverhogingen worden uitgevoerd, dan zouden de eilanden hun afgezonderde positie behouden.

Een ander voordeel van het Deltaplan is de bescheiden landwinst die het oplevert in verhouding tot dijkverhoging. Bij dijkverhogingen zou over een lengte van honderden kilometers de dijken aan de landzijde verbreed worden, wat een hele strook cultuurgrond gekost zou hebben. Het Deltaplan levert door de aanleg van de dammen juist wat landwinst op.

Ook zou door het uitvoeren van het Deltaplan een uniek recreatiegebied ontstaan, wat niet zou gebeuren als slechts de dijken verhoogd zouden worden. Het Deltaplan lijkt een plan met alleen voordelen te zijn. Toch is er echter nog een belangrijk nadeel: het wegvallen van de schaal- en schelpdierkwekerij. Als de Oosterschelde afgesloten zou worden, zou zij verzoeten. Mossels, oesters en andere schaal- en schelpdieren kunnen niet in zoet water leven. De Deltacommissie raadt dan ook aan om te onderzoeken of de schaal- en schelpdierkwekerij niet naar een andere plek verhuisd kan worden.