Het rivierkleilandschap

Het ontstaan van het rivierkleilandschap

hoogte verschillen rivierkleilandschap. Bron: Wereld in Werking (Malmberg)
Rivier-klei landschap
Net als het zeekleilandschap en het duinlandschap is het rivierkleilandschap ontstaan in het Holoceen. Na de laatste ijstijd ( het Weichselien) steeg de temperatuur en werd de waterafvoer geleidelijker. Dit had invloed op zowel het oostelijke rivierkleilandschap (ten oosten van de lijn Leerdam-Culemborg-Vianen) als op het westelijke rivierkleilandschap (ten westen van deze lijn). Hieronder worden beide typen rivierkleilandschap behandeld.

Het oostelijke rivierkleilandschap

Door de geleidelijkere waterafvoer in het Holoceen werden de rivierbeddingen smaller en kronkelend. De waterberging van de rivieren was hierdoor veel kleiner geworden, wat bij een extra hoge waterafvoer nogal eens tot overstromingen kon leiden. Door de overstromingen liep het water van de rivieren buiten hun beddingen, waardoor zand en klei naast de bedding werden afgezet. Omdat zand meer weegt en grotere korrels heeft (meer massa heeft) dan klei, zakt zand eerder naar beneden en komt dus dichter bij de rivierbedding terecht. Het zand vormde zo direct naast de bedding zogenaamde oeverwallen: een wat hoger gelegen, zandige strook.
Verder van de rivier af zonk de klei naar de bodem in kommen. Een kom is een laaggelegen gebied tussen rivieren dat bestaat uit zware klei. Tegenwoordig liggen de kommen één tot twee meter lager dan de oeverwallen. De komgronden zijn meestal slecht waterdoorlatend, en zijn daarom vaak in gebruik als grasland.

De rivieren hebben zich in de loop van de tijd meerdere malen verlegd. Doordat de beddingen steeds meer verzandden en de zeespiegel steeg, kwam het water van de rivier steeds hoger te staan. Uiteindelijk overstroomde de rivier en kreeg een nieuwe loop. Deze oude rivierbeddingen met de ernaast gelegen oeverwallen noemen we stroomruggen.

Een ander kenmerk van het rivierkleilandschap zijn de zogenaamde donken. Donken zijn rivierduinen die aan het einde van de laatste ijstijd langs de rivieren zijn ontstaan. De meeste van deze duinen zijn in de loop van de tijd overdekt met klei, maar sommige zijn bewaard gebleven. De donken bestaan uit zand dat door de wind is aangeleverd. Een afzetting die door de wind is aangeleverd noemen we ook wel een eolische afzetting.

Het westelijke rivierkleilandschap

Het westelijke rivierkleilandschap is anders dan het oostelijke rivierkleilandschap, omdat hier de zee een grote invloed heeft gehad. Doordat de afstroming van de rivieren in het westelijke rivierkleilandschap onder invloed is van het getij, zijn er in het westelijke rivierkleilandschap andere afzettingen te zien dan in het oostelijke rivierkleilandschap. Bij vloed kan het rivierwater niet gemakkelijk afstromen: het water wordt geremd door het opkomende zeewater. Hierdoor ontstaan gemakkelijk overstromingen. Omdat het rivierwater en het zeewater als het ware tegen elkaar aan botsen, is de stroomsnelheid heel laag. Bij deze lage stroomsnelheid blijft het zand op de bodem van de rivier liggen, en vindt er dus (zoals in het oostelijke rivierkleilandschap) geen afzetting van zand naast de rivier plaats. De lichtere deeltjes, zoals klei, komen echter wel naast de bedding van de rivier terecht. Zowel de oeverwallen als de stroomruggen zijn daarom opgebouwd uit klei. De kommen in het westelijke rivierkleilandschap bestaan uit slibhoudend bosveen. De donken in het westen zijn sterk opgehoogd door klei en veen.

De invloed van de mens op het rivierkleilandschap

De eerste bewoning in het rivierkleilandschap is rond 2000 voor Christus aanwezig. De mensen kiezen hoger gelegen plekken om veilig te zijn voor het water. Deze hogere plekken waren bijvoorbeeld de oeverwallen, de stroomruggen en de donken. Later ging men ook zelf de woonplaatsen ophogen, waardoor terpen ontstonden.
Rond de 11e eeuw worden de eerste dijken gebouwd. In tegenstelling tot de dijken zoals we ze nu vaak in Nederland zien, parallel langs het water, werden deze dijken loodrecht op de rivieren gebouwd. Om die reden worden ze ook wel zijkaden of dwarsdijken genoemd.
Het lijkt voor ons niet echt handig om een dijk dwars op de rivier te zetten, maar toen had het een reden. De dijken moesten niet het water keren, maar moesten het water van hoger gelegen kommen (die stroomopwaarts lagen) uit het (lager gelegen) dorpsgebied weg houden.

De kommen waren vroeger erg nat. Er verzamelde zich niet alleen regenwater, maar ook kwelwater en overstromingswater. Het was teveel water om allemaal terug in de rivier te lopen, en dus stroomde een groot deel via de helling van oost naar west. Om dit deel tegen te houden werden zogenaamde achterkaden of achterdijken gebouwd. Uiteindelijk werden ook parallel langs de rivieren dijken gebouwd, zodat uiteindelijk een gesloten dijkring ontstond.

Om de komgronden af te wateren werden weteringen gegraven. Dwars op deze weteringen werden sloten aangelegd. Bij hoge waterstanden van de rivier wilde het nogal eens voorkomen dat de dijk te laag was of zelfs doorbrak. Het water kletterde dan achter de dijk naar beneden, waardoor op de plaats van de doorbraak een groot gat uitgeschuurd werd. Zo’n gat noemen we een wiel, waai of  kolk. Het door het water opgewoelde materiaal werd als een waaier rond het wiel uitgespreid en vormde een overslaggrond. Het wiel was vaak zo diep, dat de dijk niet op dezelfde plaats gedicht kon worden. De dijk werd daarom om het wiel heen gelegd, wat een kronkel in de dijk veroorzaakte. Tegenwoordig kan je de dijken die vaak doorgebroken zijn nog herkennen: deze dijken zijn vaak erg kronkelig.

Om de waterberging te vergroten en dijkdoorbraken tegen te gaan, werd vaak een winterdijk aangelegd op enige afstand van de rivier. Als het water van de rivier dan over de zomerdijk (de dijk die direct langs de rivier loopt) stroomde, kon het water nog terecht in het gebied tussen de twee dijken in, zodat het niet gelijk schade aan de woongebieden aanrichtte. Het gebied tussen de twee dijken noemen we een uiterwaard. Bij hoge waterstanden werd in de uiterwaarden steeds een laag zandige klei afgezet, waardoor de uiterwaarden duidelijk hoger liggen dan de gronden aan de andere kant van de dijk. De uiterwaarden worden behalve voor waterberging, ook wel gebruikt voor de winning van zand, klei en grind. In de zomer dienen ze ook als wei- of hooiland.

Verkaveling en grondgebruik

Verkaveling Rivierkleilandschap. Bron: Wereld in Werking (Malmberg)
Verkaveling
In het oostelijke rivierkleilandschap is de verkaveling vooral blokvormig en onregelmatig. Op de goed ontwaterde delen van het landschap overheersen fruitteelt en akkerbouw. In de natte komgronden is de verkaveling strookvormig en wordt de grond vooral gebruikt als grasland. Vanaf ongeveer 1950 kon de grond door verbeterde afwateringstechnieken bewoonbaar gemaakt worden, en werd de verkaveling moderner en blokvormig.

In het westelijke rivierkleilandschap is de verkaveling strookvormig en langgerekt. De gronden worden bijna overal als grasland gebruikt, alleen de oeverwallen zijn als akkerland te gebruiken.

Problemen in het rivierkleilandschap

Het rivierkleilandschap heeft te kampen met verschillende problemen.

De dijken

Ten eerste zijn er problemen met betrekking tot de dijken. De dijken moeten goed onderhouden worden. Bovendien is het waterpeil in de rivieren als gevolg van de Deltawerken (lees: Deltawerken) gestegen. Door de Deltawerken is de afvoersnelheid van de rivieren afgenomen. Hierdoor blijft er meer zand in de rivieren achter, waardoor deze steeds hoger komen te liggen en de waterstand verhoogd wordt. Ook wordt de waterstand hoger door de stijgende zeespiegel, en wordt het dus steeds belangrijker om de bestaande dijken te verhogen en/of te verzwaren. De Nederlanders zullen zich altijd moeten blijven verweren tegen het water!

In het rivierkleilandschap treedt bij de dijken soms kwel op. Kwel is water dat door natuurlijke of onnatuurlijke hoogteverschillen onder druk staat. Het water sijpelt dan van een hoger naar een lager niveau door een waterdoorlatende grondlaag. De kwel stroomt door de ondergrond en komt op sommige plaatsen aan het oppervlak. Bij sterke kwel zetten de gronddeeltjes onder de dijk uit, en als de druk verlaagd wordt, krimpen de deeltjes weer in. Hierdoor wordt de dijk instabiel. Om kwel zoveel mogelijk tegen te gaan, wordt de bodem van de dijk zoveel mogelijk waterdicht gemaakt.

Milieuproblemen

Het rivierkleilandschap wordt ook bedreigd door enkele milieuproblemen. Ten eerste is de winning van klei, zand en grind van grote invloed op de flora en fauna. De diepte en de grootte van de winningsplassen zorgen voor een zuurstoftekort op de bodem van deze plassen. Hierdoor is het voor veel plant- en diersoorten niet leefbaar en is de ecologische diversiteit laag. Ook de uiterwaarden worden aangetast, onder andere door de vervuiling van het rivierwater.