Het weer

Wat is er nu zo lekker als het ‘lekker weer’ is? De temperatuur? Maar als het regent terwijl het dertig graden is? De neerslag speelt dus ook mee. En wat als de zon niet schijnt? De bewolking doet er dus ook toe. En wat als er een snijdende wind waait? Het weer is een samenspel van elementen, zoals temperatuur, vochtigheid, bewolkingsgraad, neerslag, wind en meer extreme verschijnselen zoals onweer, windhozen, ijzel. De combinatie van deze en meer factoren bepaalt welk weer het precies is. Hieronder zullen een aantal van deze factoren besproken worden.

Neerslag

Neerslag is vast of vloeibaar water dat uit wolken op de aarde valt. Voorbeeld van neerslag zijn regen, sneeuw, hagel, ijsnaalden en ijsplaatjes. Niet in elke wolk kan neerslag gevormd worden. De diameter van een regendruppen is ongeveer 2 mm., terwijl de diameter van een wolkendruppel slechts 0,02 mm is. Er zijn dus een miljoen wolkendruppels nodig om een neerslagdruppel te vormen. Om te kunnen zeggen uit welke soort wolk welke neerslag valt, moet meer gezegd worden over het proces van neerslagvorming.
Bij de vorming van neerslag is het belangrijker dat wolkendruppeltjes zich om een kern kunnen verzamelen. Zeer fijne neerslag, zoals motregen, valt uit laag hangende wolken die niet zo hoog hoeven te zijn. Voor het ontstaan van echte regen zijn wolken met grotere afmetingen nodig. Zulke wolken ontstaan rond condensatiekernen, die de kern vormen van neerslagdruppels. Als die kern wordt gevormd door zout water of roetdeeltjes, kunnen enorme wolkencomplexen ontstaan.
In gematigde en koude streken is het voor neerslag belangrijk dat er in een wolk zowel koude waterdruppels als ijskristallen aanwezig zijn. Als de waterdruppels verdampen die zich in de buurt van ijskristallen bevinden, dan vind er op die ijskristallen rijpvorming plaats. Daardoor worden de ijskristallen zo zwaar dat ze naar beneden vallen. Tijdens hun val nemen de kristallen nog meer druppels en kristallen mee.
Als de temperatuur op de aarde niet te ver boven het vriespunt uitkomt, dan bereiken de kristallen de grond als sneeuw. Als de temperatuur te hoog is, valt er regen. In Nederland valt er gemiddeld 775 mm regen per jaar.

Wind

Naast neerslag is ook wind een belangrijke meteorologische verschijnsel. Wind waait omdat er verschillen in luchtdruk zijn, omdat de aarde draait en omdat de lucht in aanraking komt met de aarde. Wind heeft zowel een snelheid als richting. De snelheid van de wind kan gemeten worden met een anemometer en wordt uitgedrukt in meters/seconde, kilometer/uur of knopen. In weerberichten wordt de windsnelheid aangeduid volgens de schaal van Beaufort. Het veranderen van de windrichting wordt ruimen (draaien met de klok mee, bijv. van zuid naar west) of krimpen (tegen de klok in, bijv. van west naar zuid) genoemd. De wind is uiterst bewegelijk en kan snel in richting en snelheid veranderen. Dat kan gevaarlijk zijn voor de scheep- en luchtvaart.

Temperatuur

De temperatuur drukt uit hoe warm of koud de lucht is. Als men niet uit andere weersverschijnselen kan opmaken wat de temperatuur is, dan voelt men het wel. Lucht met een hoge temperatuur stroomt altijd naar lucht met een lage temperatuur. Verschillen in temperatuur worden bepaald volgens graden op een temperatuurschaal. Die graden kunnen zowel in Celsius, Fahrenheit als Kelvin gemeten worden. Een termometer is gebaseerd op het principe dat twee stoffen met een ongelijke temperatuur bij langdurig contact dezelfde temperatuur krijgen. De stof (bijvoorbeeld kwik) in een thermometer zet uit als die lange tijd in aanraking komt met warme lucht.

Luchtvochtigheid

De hoeveelheid waterdamp in de lucht heet de luchtvochtigheid. De vochtighed van de lucht is van groot belang voor de mens. Samen met de luchttemperatuur, de windsnelheid en de kracht van de zonnestralen bepaalt de luchtvochtigheid wanneer het weer nog als aangenaam wordt ervaren. Soms is het weer ‘zwoel’, maar het wordt al snel ‘drukkend’ warm. Men vindt het weer over het algemeen drukkend als de relatieve vochtigheid 100% is en de temperatuur 20 graden, of bij 80% en 25 graden, of bij 55% en 30 graden of bij 30% en 35 graden. Wind brengt over het algemeen verkoeling, straling maakt het minder goed toeven.
Bij airco’s in auto’s, kantoren en scholen wordt in de zomer uitgegaan van een vochtigheid van 50%. Medisch gezien is dat percentage te laag. Men kan daardoor last krijgen van een sick building syndroom. Ook in ruimtes die centraal verwarmd worden, kan een erg lage luchtvochtigheid ontstaan. Bij extreem lage vochtigheden (m.n. beneden de 20%) kunnen nagels barsten en lippen barsten.

Bewolking

Bewolking is het geheel van de wolken die zich in de lucht bevinden. De bedekkingsgraad is dat gedeelte van de hemel dat door wolken is bedekt. Als tussen de 12,5% en 25% procent van lucht bedekt is, is het licht bewolkt; als meer dan de helft van de lucht met wolken bedekt is, is het zwaar bewolkt of geheel betrokken. Wolken zijn er in vele soorten en maten. Ze veranderen voortdurend. Wolken kunnen in tien geslachten onderverdeeld worden. Op hun beurt bestaan de geslachten weer uit verschillende soorten. De tien wolkengeslachten zijn:

1. Altocumulus: grove schaapjeswolken.
2. Altostratus: blauwgrijze sluier.
3. Cirrocumulus: fijne schaapjeswolken.
4. Cirrostratus: wolken op zeer grote hoogte. Ze vormen een doorzichtige witte sluier.
5. Cirrus: witte windveren boven de 6 km die bestaan uit ijskristallen.
6. Cumulonimbus: grote, zeer sombere onweerswolken.
7. Cumulus: witte stapelwolken, die grote afmetingen in de hoogte kunnen bereiken. Ze kondigen vaak het mooie weer aan.
8. Nimbostratus: donkergrijs wolkendek op lage hoogte, dat het slechte weer begeleidt.
9. Stratocumulus: lage, uitgebreide, grijze flarden.
10. Stratus: eenvormige, hoge mistlaag.