Het zeekleilandschap

Een van de meest kenmerkende landschappen aan de kust van Nederland is het zeekleilandschap. Het is een tamelijk jong en dynamisch landschap, en de vorming ervan is eigenlijk nog steeds bezig.

Opwarming

Ongeveer 6000 voor Christus brak het Atlanticum aan. In deze periode kreeg de zee steeds meer invloed op het Nederlandse landschap. Door de opwarming van de aarde die in het begin van het Holoceen (8000 jaar voor Christus) begonnen was, stegen de zeespiegel en het grondwater. Samen met het dalen van de bodem zorgde dit ervoor dat de kustlijn ongeveer 5 kilometer per eeuw naar het oosten verschoof. Uiteindelijk bereikte de kustlijn de hoogte van de huidige Nederlandse kust.

Duinen en binnenzeeën

Door de stijgende zeespiegel steeg ook het grondwaterpeil. De bodem werd nat en er werd basisveen afgezet op de pleistocene laag. Iedere keer als het hoogwater was, bleven kleine slibdeeltjes achter het veen hangen. Er ontstond een dikke laag slib, waarin kweldergrassen(kleine plantjes) konden groeien. Achter deze kweldergrassen bleef zand hangen, waardoor kleine duinen ontstonden. Al deze duinen samen vormden strandwallen: langgerekte zandruggen die evenwijdig lopen aan de kustlijn.
De zeespiegel bleef nog steeds stijgen, en regelmatig konden de strandwallen het water niet meer tegenhouden. De zee overspoelde dan het land achter de strandwallen, en langzaam maar zeker ontstond achter de strandwallen een ondiepe zee. Deze ondiepe zee werd door de overeind gebleven strandwallen van de echte zee gescheiden.
Bij vloed stroomt het zeewater via grote wadgeulen toe. Het zeewater brengt zand en zeeklei met zich mee. Bij eb stroomt het water langzaam weer terug naar de open zee. Hierdoor zakt de waterspiegel en daalt de stroomsnelheid van het water. Het zand bezinkt en vormt zandplaten ( ook wel wadplaten of wadden genoemd), die bij eb droogvallen.

Kreken en kwelders

Iets verder landinwaarts bezinkt de klei. Tegen de kust aan worden de wadden hoger en door de kleilaag vormen zij een goede bodem voor zoutminnende planten. Deze planten remmen de stroming van het water, waardoor het water zich vooral tussen de plantjes bevindt en kleine geultjes ontstaan. De geultjes tussen de planten worden steeds dieper, en vormen uiteindelijk kreken. Bij vloed stijgt het water in de kreken en overstroomt de kwelder. Aan de oevers van de kreek wordt zandige klei afgezet, iets verderop bezinkt een zeer zware klei. De kwelder wordt hierdoor steeds hoger.

Op een bepaald moment is de kwelder zo hoog geworden dat hij alleen nog maar overstroomt bij extra hoge vloedstanden. Bovendien nam ongeveer 5000 jaar geleden de zeespiegelstijging af. Omdat het water bijna niet meer uit de kreken stroomt, blijft het zand in de bedding van de kreek liggen. Langzaam maar zeker gaan de kreken verzanden waardoor kreekruggen ontstaan. Kreekruggen liggen iets hoger in het landschap dan de klei. Dit komt doordat de klei bij ontwatering en ontginning meer inzakt (inklinkt) dan zand.

Regressie en transgressie

De zee begon steeds langzamer te stijgen, en op een gegeven moment trok de zee zich zelfs terug. Dit noemen we regressie. Tijdens deze periode van regressie werden de strandwallen groter en op de kwelders kon hoogveen ontstaan.
500 jaar voor Christus begon de zee opnieuw te stijgen (transgressie). Dit kwam doordat een harde westenwind zorgde voor stormvloeden. De zee kon opnieuw de strandwallen doorbreken en overspoelde de wadgeulen opnieuw. Er was sprake van erosie door de zee, maar al snel werd jonge zeeklei afgezet. Aangezien de doorbraken van de zee vooral plaatsvonden in Zuidwest- en Noord-Nederland, werd de jonge zeeklei ook vooral daar afgezet.