Het zuidwestelijk zeekleigebied (Zeeland)

Het ontstaan van een kreekrug. Bron: Wereld in Werking (Malmberg)
Kreekrug
Zoals in de ontstaansgeschiedenis van het zeekleilandschap al werd beschreven, bestond de Nederlandse kust 2000 jaar geleden uit een groot veengebied. De kracht van de zee zorgde er ook in Zeeland voor dat de strandwallen doorbroken werden en wadgeulen zich konden vormen. De wadgeulen in Zeeland werden echter steeds breder en zorgden ervoor dat Zeeland werd opgedeeld in een aantal veeneilanden. (topo) De wadgeulen die deze eilanden van elkaar scheiden ontwikkelden zich later tot onder andere de Westerschelde en de Oosterschelde. 

Uit de wadgeulen ontsprongen kreken, en in de veeneilanden van Zeeland ontstonden kwelders. In Zeeland noemt men deze kwelders ook wel schorren. Elke keer als de kreken bij vloed overstroomden, werd bovenop de veenlaag klei afgezet. Zo’n afzetting van klei op veen heet een poelgrond.

Oudland

Uiteindelijk verzandden de kreken en aangezien zand minder inklinkt dan veen, liggen de kreekruggen duidelijk hoger dan de poelgronden in het Zeeuwse landschap. De poelgronden en de kreekruggen worden samen oudland genoemd, omdat het het oudste landschap in Zuidwest-Nederland is. De zee heeft later grote delen van dit oudland vernietigd. Het oudland heeft een onregelmatige ligging en verkaveling.

Nieuwland

Na 1250 is er weer land opgeslibt in Zeeland. Dit land wordt nieuwland genoemd. Het nieuwland kon op twee verschillende manieren ontstaan:
1. Opslibbing via opwas
2. Opslibbing via aanwas

Opslibbing via opwas begint met zandplaten die langzaam veranderen in kwelders. Als de kwelders hoog genoeg liggen, leggen de mensen er dijken omheen, zodat ze meer land hebben. Dit wordt opwas genoemd. Ook kan het zo zijn, dat een bestaande dijk breder en hoger wordt door opslibbing. Dit wordt aanwas genoemd.

Het nieuwland heeft, in tegenstelling tot het oudland, een regelmatige verkaveling en een vlakke ligging. De regelmatige verkaveling is ontstaan doordat er steeds opnieuw dijken aanlegd werden die de nieuw opgeslibte stukken land veilig stelden.
De reden voor de onregelmatige verkaveling en de ongelijke ligging van het oudland, is de inklinking van het veen, waardoor grote hoogteverschillen in het landschap ontstonden. Aangezien de veenlaag bij nieuwland ontbreekt, zijn de hoogteverschillen beperkt gebleven en kunnen we spreken van een vlakke ligging.

Na 1600 maakte de verbeterde technieken het mogelijk om ook de lager gelegen gedeelten van de kust in te polderen. Kreken en zeearmen werden drooggelegd waardoor de eilanden aan elkaar gevoegd werden. Ook werden overstroomde oudlandgebieden opnieuw ingedijkt.

Bodemgebruik

Het nieuwland en het oudland verschillen niet alleen in verkaveling en ligging. Ook qua bodemgebruik verschillen ze van elkaar. De kreekruggen in het oudland liggen hoog, en bieden bescherming tegen het water van de zee. Bovendien is de zandige klei van de kreekrug een goede bodem voor akkerbouw en fruitteelt. De mensen vestigden zich in het oudland dan ook vooral op de kreekruggen. De omliggende poelgronden zijn te nat voor het verbouwen van gewassen en bestaan daarom vooral uit grasland. Vaak is nog duidelijk te zien waar vroeger de kreken hebben gelopen: de kreekruggen liggen meestal hoger in het landschap, en vaak volgen wegen de loop van voormalige of nog bestaande kreken. De vlakke ligging van het nieuwland maakt in feite elk grondgebruik mogelijk, mits de grondwaterstanden goed beheerst kunnen worden.