IJstijden

Het is tijd voor ijs!


Nederlandijstijden
Een ijstijd is een periode waarin er zich voor langere tijd grote hoeveelheden ijs op het vasteland verzamelden en waarin er veel gebergten vergletsjerd waren. He idee dat gletsjers vroeger veel groter waren dan tegenwoordig ontstond in het Alpengebied. Hier was men gewend met de tijdelijke toe- en afnames van de ijsmassa. Zo werden ver van een gebergte zwerfstenen gevonden die alleen van die berg afkomstig konden zijn. Zij waren daar in het verleden door verschuivend ijs naar getransporteerd. In de tweede helft van de 19de eeuw kreeg het idee steeds meer aanhang dat er in de geschiedenis van de aarde meerdere ijstijden zijn geweest. Bij een gebrek aan bewijsmateriaal ging men in het begin van de negentiende eeuw nog uit van een lange ijstijd, in plaats van meerdere korte ijstijden.

Vroegere ijstijden

De best bewaarde sporen van vergletsjering zijn te vinden op de zuidelijke continenten die in het Perm en het Carboon samen Gondwana vormden. Uit het Devoon en het Siluur zijn slechts weinig afzettingen uit ijstijden bekend. De sporen die uit het Ordovicium (505-438 miljoen jaar geleden) en het Cambrium (590 tot 505 miljoen geleden) stammen, zijn helaas niet betrouwbaar genoeg om iets over de schaal te zeggen waarop gletsjers voorkwamen. Uit de tijd langer dan 600 miljoen jaar geleden zijn daarentegen veel sporen gevonden. Daaruit kan worden afgeleid dat voornamelijk Noord-Amerika, Noorwegen, de Britse eilanden en andere noordelijke landen aan het ijs ten prooi vielen. Landijs is in de geschiedenis van de aarde de normaalste zaak van de wereld geweest. In het Mesozoïcum, het hoofdtijdperk, dat de perioden Trias, Jura en Krijt omvatte en van 225 tot 65 miljoen jaar geleden duurde, waren er echter nauwelijks ijstijden. Het was een periode waarin vele soorten, waaronder reptielen, dinosauriërs, ammonieten, vissen, zoogdieren, vogens en loofbomen in hoeveelheid en verscheidenheid toenamen.

IJstijden in Nederland

Tijdens het Pleistoceen (1,8 miljoen jaar geleden tot 10.000 jaar geleden) werd Nederland tweemaal gedeeltelijk door landijs overdekt. Dat gebeurde tijdens het Elsterien en het Saalien. Het landijs rukte in het Saalien vanuit het noorden op en vervormde daarmee het landschap grondig. Het landijs kwam tot de lijn Haarlem-Nijmegen. Delen van de stuwwallen die daarvan het gevolg waren zijn nog steeds aanwezig. De heuvels in de omgeving van Nijmegen of op de Veluwe zijn hier voorbeelden van. Ook in het Drentse landschap zijn overal lidtekens aanwezig. De karakteristieke hunnebedden zijn gebouwd met stenen die tijdens de ijstijden werden aangevoerd.

Oorzaken

Er zijn de afgelopen tweehonderd jaar een heleboel theorieën opgesteld die de ijstijden hebben geprobeerd te verklaren. Zo’n theorie moet aan twee eisen voldoen. Ten eerste moet uitgelegd worden waarom ijstijden zo snel kunnen opkomen en verdwijnen. Ten tweede moet de theorie kunnen uitleggen waarom er soms lange periodes waren waarin veel ijstijden elkaar opvolgden en soms lange periodes waarin er nauwelijks landijs te vinden was. In de 19de eeuw werd al geopperd dat ijstijden buitenaardse oorzaken konden hebben. In de twintigste eeuw kregen wetenschappers steeds meer technieken in handen om uitgebreid en diepgaand onderzoek uit te voeren. De invloed van structurele astronomische factoren, zoals de afstand van de zon tot de aarde, werd in de jaren ’70 van de twintigste eeuw bevestigd. Door dit CLIMAP-onderzoek kwam men tegelijkertijd meer te weten over aardse klimaatveranderingen in het algemeen. Over oorzaken van klimaatveranderingen binnen ijstijden is nog weinig bekenend. De zonneactiviteit zou bijvoorbeeld tijdelijk toe- of afgenomen kunnen zijn. Ook zou de mate van bewolking van invloed kunnen zijn geweest op de terugkaatsing van het zonlicht. Tenslotte is het mogelijk dat kooldioxide en as die door vulkanische activiteit in de lucht kwamen, kleine veranderingen hebbn veroorzaakt.