Irrigatie

Irrigatie is het bewust laten stromen van hoeveelheden water over een stuk land. Een boer kan bijvoorbeeld besluiten zijn land op kunstmatige wijze vochtiger te maken door middel van irrigatie. Zonder extra vocht zouden de gewassen die de boer op zijn akker verbouwd niet overleven. Ook kan irrigatie dienen om grondbewerking mogelijk te maken.

Irrigatie is vooral nodig in klimaten waarin de neerslag minder is dan de evapotranspiratie. Dit is het geval in de aride en semi-aride klimaten. In een aride klimaat is er, met uitzondering van een korte periode extreme neerslag, het hele jaar door een neerslagtekort, dat door het gebrek aan water niet te compenseren is met irrigatie.

Er zijn vele manieren waarop je een akker kunt irrigeren. Hieronder zullen een aantal types besproken worden, nl. oppervlaktebevloeiing, beregening, vloeivelden en ondergrondse bevloeiing.

Oppervlaktebevloeiing

Bij oppervlaktebevloeiing laat men simpelweg het water over de akker stromen. Omdat de meeste gewassen niet voortdurend onder water kunnen staan wordt dit met tussenpozen gedaan. Alleen rijst kan voortdurend onder water overleven. Bij rijstvelden wordt dan ook het waterpeil constant op zo’n tien centimeter gehandhaafd. De watertoevoer wordt dan gelijkgesteld aan de evapotranspiratie, zodat het waterniveau hetzelfde blijft. Enkele technieken voor oppervlaktebevloeiing zijn bekkenbevloeiing, strokenbevloeiing of vorenbevloeiing.

Bekkenbevloeiing of bassinbevloeiing

Bij bekkenbevloeiing wordt het stuk land in meerdere ‘bekken’ of bassins ingedeeld, die ieder omgeven worden door een aarden walletje. Deze worden net zo lang onder water gezet totdat de grond geen water meer opneemt. De grond is dan doordrenkt met water. Nadeel van deze techniek is dat de bassins een perfecte horizontale ligging moeten hebben en dat de bassins meestal zo klein zijn dat mechanisatie van het zaaien en oogsten  moeilijk uitvoerbaar is.

Strokenbevloeiing

Strokenbevloeiing is vooral geschikt voor flauw hellende terreinen. Er worden langs de helling stroken gemaakt die begrensd worden door kleine aarden walletjes die de helling volgen. Op het hoogste punt van de stroken wordt door een toevoerkanaaltje water gebracht, waarna het door de strook naar beneden stroomt en ondertussen in de grond wegzakt. Er wordt net zo lang geïrrigeerd totdat de grond verzadigd is met water.

Vorenbevloeiing

Net als strokenbevloeiing is vorenbevloeiing een stroombevloeiing. Hierbij worden voren door het land gegraven met een flauwe daling. Op het hoogste punt wordt water ingelaten. Deze manier van irrigeren is zeer arbeidsintensief en bemoeilijkt bovendien het gemechaniseerd zaaien en oogsten, omdat daarbij mogelijk de voren worden vernield.

Beregening

Bij beregening wordt het water van bovenaf over het land gesproeid. Dit kan bijvoorbeeld met een sprinklerinstallatie. Het water wordt hierbij naar een aantal centrale punten op het land gepompt door een leiding of slang, waar het wordt verspreid door een sprinkler. Ook bestaan er tegenwoordig geautomatiseerde, verrijdbare sprinklerinstallaties, die zichzelf over grote stukken land kunnen voortbewegen. Het nadeel van beregening van bovenaf is de relatief grote hoeveelheid water die verloren gaat door verdamping. Daarbij kan water dat achterblijft op de bladeren van planten slechte gevolgen hebben voor de planten. Zo kunnen er makkelijker schimmels ontstaan, of bladeren kunnen zelfs verbranden op hete zonnige dagen.