Je kon Donato niet herkennen


,,Zierikzee, de nacht van zaterdag 31-1-1953 op zondag 1-2-1953. 's Nachts werden mijn man, zoontje en ik wakker van de loeiende sirenes. We stonden op om te gaan kijken wat er gaande was. De reden van het geloei was dat het hoogwater en springtij was.

Door de hoge druk van het water braken de vloedplanken. Mijn man en ik hadden zoveel mogelijk spullen en huisraad mee naar boven genomen. Daarna heeft mijn man vloedplanken aan de voordeur aangebracht. Het water kwam zo snel de straat af alsof het leek dat er hollende paarden naar beneden renden. Wij zijn naar boven gevlucht omdat daar ons zoontje Donato (twintig maanden) lag te slapen. Ik heb hem uit zijn ledikantje gehaald en bij mij op het rand van het bed genomen. Zelf was ik zeven maanden in verwachting van ons tweede kindje.

De elektriciteit was uitgevallen, dus hadden we een petroleumlamp aangestoken. We hoorden dat beneden de ruiten ingedrukt werden en zagen de achtergevel van ons huis scheuren. Die stortte direct daarna in het water. Even later zakte ook de zolder weg en Donato en ik gleden in het ijskoude water. Mijn man die zelf voor het slaapkamerraam stond zag ons gaan. Zelf wilde hij in de stroom aan de voorkant springen, maar ook deze gevel en het dak sloegen weg. Mijn man viel dus ook in het water.

Zelf kreeg ik telkens puin en stukken hout tegen me aan zodat ik Donato kwijt raakte. Ik vond hem terug. Later raakte ik hem weer kwijt omdat er een balk op me afkwam. Het was deze nacht aardedonker, maar voor mij was het licht genoeg om toch iedere keer mijn zoontje weer te kunnen zien spartelen in het water. Toen zag ik het wiegje voor ons aanstaande kindje voorbij komen drijven, ik dacht aan Mozes in zijn rieten mandje. Ik pakte Donato op en gooide hem erop, maar het wiegje zonk meteen, dus was ik hem weer even kwijt. Ondanks het grote gevecht was ik niet moe.

Daarna ben ik met Donato naar de havendijk gezwommen. Ik wilde de dijk opklimmen maar gleed tot driemaal toe terug naar beneden. Ik was zo verstijfd dat ik niet meer kon lopen, dus ben ik maar gaan kruipen, een straat lang. Bij de familie Krakeel aan Bolwerk aangekomen pakte Johan Krakeel Donato van mij over, en wilde hem in de kelder leggen. Hij dacht dat mijn zoontje was overleden. Hij was helemaal stijf en er kwam schuim uit zijn mondje. Zijn hoofdje was kapot tot aan zijn schedeltje. Ik wilde Donato niet achterlaten. Na lang aanhouden heeft Johan hem ook mee naar boven genomen. Daar achteraan kwam ik, op mijn knieën de trap op. Toevallig was daar boven Janny Eckhart, zij was van het Rode Kruis. Zij heeft toen Donato eerst geholpen totdat deze bijkwam. Het eerste woordje wat hij zei was 'mamma'.

Daarna brachten ze hem naar het ziekenhuis. Mij brachten ze naar de Corneliastichting. Ik had een hersenschudding, en mijn hoofd was helemaal kapot en ontstoken van het grachtwater. Water om de wonden te zuiveren was er niet, dus hadden ze me met rode jodium getipt. Ik lag in een kamer alleen en mocht geen bezoek hebben. Dit was omdat we nog niets van mijn man gehoord hadden, we wisten niet waar hij was gebleven.

Zondagmiddag kwam Johan Krakeel zeggen dat mijn man terecht was. Hij was terechtgekomen bij boer Kloet. Hij had al die tijd op de hooizolder doorgebracht. Jongens die op zoek waren naar overlevenden hebben hem met een jolle naar de dijk gevaren. Daar kreeg mijn man te horen dat Donato en ik in het ziekenhuis lagen. Mijn man was ook bij de familie Krakeel aangekomen, en werd hier voorzien van droge kleren om naar het ziekenhuis te kunnen gaan.

In het ziekenhuis aangekomen hoorde Donato zijn vader op de gang aankomen. Donato riep 'pappa'. Dit was heel erg aandoenlijk, maar je kon Donato niet herkennen omdat heel zijn hoofdje in het verband zat. Dinsdagmiddag kwam dokter De Haas, een kinderarts, hem ophalen om hem over te brengen naar het ziekenhuis te Goes. Hier zou Donato een paar weken verblijven. Woensdag ben ik met een politieboot onder begeleiding van een dokter en een verpleegster, dit was omdat men dacht dat de baby zou komen, overgebracht naar Vlaardingen. Hier moest ik blijven tot 19 maart, de dag dat onze dochter Renata in goede gezondheid ter wereld is gekomen. In april was ons gezin weer herenigd.

Ondanks de winter en het vele koude water waarin we hebben moeten zwemmen, zijn wij niet eens verkouden geweest. Ondanks dat ik heb moeten kruipen op de straatstenen zijn mijn knieën niet kapot geweest. Was het dan toch een wonder? Nu wonen we al weer veertig jaar in Prinsenbeek, ver van het water. Maar de angst voor storm blijft. Zelfs als ik paarden hoor draven op straat komt deze vreselijke geschiedenis weer boven.''

J.P.M. de Spirit-Leijdekker
Prinsenbeek

©PZC 02-01-03