De kabelbaan

De kabelbaan tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland voor het dichten van de Grevelingen is gereed gekomen. De gondels voor het storten van de stenen maken een eerste tocht.
Video: Kabelbaan Grevelingendam gereed
Het Franse bedrijf Neyrpic werd ingeschakeld om samen met Rijkswaterstaat de kabelbaan te ontwerpen en te bouwen. Op de oever van Goerree-Overvlakkee werd een wisselstation gebouwd, in het midden van het sluitgat kwam een pijler als steunpunt en de Plaat van Oude Tonge werd voorzien van een wissel-laad-station. Kantelbare tegengewichten op de Plaat zorgden voor een bijna constante tegenspanning op de kabel. De gondels die over de kabels zouden rijden werden op de kabels geplaatst inplaats van eronder. Ze hadden ieder hun eigen motor en werden door een chauffeur bestuurd. Onder de gondels hingen netten van dikke ijzeren kettingen die verticaal bewogen konden worden. Iedere gondel woog 10.0000 kg en kon 10.000 kg aan stenen meenemen. De maximumsnelheid van de gondels was 32 km/uur, maar de gemiddelde snelheid bedroeg 18 km/uur. Deze snelheden werden bereikt door een motorvermogen van 200-240 PK.

Kabelbaan gefotografeerd van een afstand
Overzichtsfoto kabelbaan
Op 3 augusus 1963 reden de eerste tien gondels weg over de 92 mm dikke kabel. Toen het tijdschema beter was ingedeeld, konden de gondels vanaf 24 augustus 1964 ook ’s nachts gaan rijden. Elke gondel deed twintig minuten over de tocht van het laadstation naar de plek waar het materiaal geloosd moest worden. Er reden constant tien gondels over de kabelbaan die gezamenlijk per uur driehonderd ton materiaal in de Grevelingen storrten. In totaal moest er 190.000 ton gestort worden.

Stenen van de dam ter afsluiting en het storten van het zand erachter
Stenen en zand
Op de Plaat van Oude Tonge was een opslagplaats voor zand, cement, stenen en rots aangelegd. Op het werkterrein lag ongeveer 55.000 ton grof grind en 80.000 ton stortsteen. Verder was er nog een reservevoorraad van 60.000 ton aanwezig.  In totaal was er dus meer dan meer dan 195 miljoen kg steen beschikbaar om de Grevelingedam af te maken. Dat is evenveel als de massa van 39.000 Aziatische olifanten bij elkaar! Gondels startten hun reis op het station op de Plaat van Oude Tonge. Het net dat onder de gondel hing werd neergelaten in een laadbak, waar een vrachtwagen het met rotsen vulde. Vervolgens werd het gevulde net op het station aan de kabelbaan bevestigd.

Storten maar!

Gondel 10 van de kabelbaan bezig met het leegstorten van het steennet.
Gondel 10 in actie
De eerste laag stenen die op de bodem geloosd werd bestond uit brokken grof grind die tussen de 10 en 300 kilogram per stuk wogen. Deze brokken waren echter de klein voor de mazen van het net en vielen in het water voordat de gondel de juiste positie had bereikt. Omdat een kabelbaan nog nooit eerder was gebruikt voor zo’n omvangrijk project, moest men soms ter plekke een oplossing bedenken. In eerste instantie werden er stukken zeil aangebracht, maar deze gingen erg snel kapot. Daarna werden er in plaats van zeil repen transportband in de netten geplaatst.

Omdat bijna al het steen in het buitenland gekocht moest worden, waren de kosten aanzienlijk. Daarom bedacht men een aantal manieren om het zand op de Plaat van Oude Tonge te kunnen gebruiken.
1. Bij de eerste methode werd in een grote silo zand vermengd met water. De natte drap die daardoor onstond, werd via een pijp in een zak gespoten. Deze uit natuur- en kunststofvezels bestaande zakken wogen 2500 kilogram per stuk.
2. Een tweede manier was om het water te vervangen door asfalt. De extra kosten voor het asfalt werden gecompenseerd door de meevallende kosten van een ander type zak. 3. De derde methode was een variant op de tweede. Hierbij werd zoveel asfalt gebruikt dat er geen zak meer nodig was. In feite was het materiaal niets minder dan een enorme brok asfalt, vermengd met zand.
4. Bij de laatste methode werd uitsluitend zand in de zakken gedaan. De luchtdruk in de zakken werd vervolgens verlaagd, waardoor de zak keihard werd.

Metingen

Het meten van de wind bij de aanleg van de kabelbaan voor de Grevelingendam.
Windmeting
Tijdens de bouw van de dam moesten van tijd tot tijd metingen worden verricht om te kijken of alles volgens plan ging. Men peilde bijvoorbeeld de stroomversnellingen om te kijken of er geen ontgronding zou plaatsvinden. Bij te hoge stroomversnellingen zouden de gestorte stenen immers kunnen verschuiven. Om zoveel mogelijk gegevens te kunnen verzamelen, werden er in eerste instantie peilingen gedaan in een gebied van een vierkante kilometer groot. Deze omvang van het gebied werd teruggebracht naarmate de dam verder vorderde. De kans dat de dam nog zou gaan schuiven werd namelijk steeds kleiner. Het aantal peilingen nam echter wel toe: vanaf begin 1962 waren ze maandelijks, vanaf juli 1964 wekelijks.