- De eerste vloeden
- St. Elizabethsvloeden (1404, 1421)
- Felixvloed (1530)
- Allerheiligenvloed (1570)
- Kerstvloed (1717)
- De Zuiderzeevloed (1916)
- De watersnoodramp van 1953
- Voor de ramp van 1953
- Klimatologische omstandigheden
- Verwoestende Kracht
- De redding
- Gevolgen
- Media
- Ooggetuigenverslagen
- Herstel van het getroffen gebied
- Herdenking Ramp 1953
- Recente Internationale Rampen
Klimatologische omstandigheden
Afgezien van de slechte staat van vele dijken in het Deltagebied (zie ook: Situatie voor de watersnoodramp) was de watersnoodramp vooral een ongelukkige combinatie van verschillende klimatologische omstandigheden.
Op 30 januari ontstaat een depressie ten zuiden van IJsland. Deze depressie neemt steeds meer toe en verplaatst zich in de richting van Schotland. Om 1 uur 's nachts ligt er een groot stormveld achter de depressie. Deze noordwesterstorm drijft de depressie, die oorspronkelijk naar het oosten ging, in zuidoostelijke richting. Al snel beslaat het stormveld de hele Noordzee.
Bij Schotland wordt de storm steeds heviger, en in de middag van 31 januari ontstaat daar zelfs een orkaan aan de noord -en oostkust. De orkaan komt in de richting van Nederland, waar het op dat moment vloed is. De vloed wordt versterkt door de invloed van de orkaan en op sommige plaatsen in Nederland stroomt er water over de dijken.

Bron KNMI
Via Denemarken en de Duitse bocht komt de storm steeds dichter bij de Nederlandse kust. In de avond van 31 januari wordt de storm boven de Noordzee steeds sterker en bereikt zelfs windkracht 11. Aan de kust van Nederland is het windkracht 10.
De storm blijft doorgaan, en in zuidwest Nederland wordt 20 uur achter elkaar windkracht 9 gemeten. Door de kracht van de storm is het water zo hoog opgestuwd dat het niet voldoende weg kan. Het wordt dan ook geen eb.
De dijken zijn niet op deze hoge waterstanden berekend, en om ongeveer 3 uur 's nachts breken de eerste dijken. De dijken aan de polderzijde breken het eerst, omdat deze het minst goed zijn onderhouden. Versterkingen aan dijken werden vooral aan de kant van de zee gedaan, omdat verwacht werd dat de zee daar de meeste schade aan zou richten. Het is echter anders: het water stroomt over de dijken en holt de dijken juist aan de landzijde uit, waardoor ze door de kracht van de zee breken. De dijken bij
Kortgene, Kruiningen en Oude Tonge breken het eerst, daarna volgen de dijken in Willemstad, Heijningen, Fijnaart, 's Gravendeel, Strijen en Numansdorp. Vele dijken volgen, en in totaal breken 89 dijken door. De beschadigingen en doorbraken zijn te vinden over een totale lengte van 187 kilometer.Het had allemaal echter nog veel erger kunnen zijn als de maximale opwaaiing tijdens de springvloed had plaatsgevonden en niet drie uur later, zoals nu het geval was. Het water in de rivieren stond relatief laag, het tij was niet op maximale hoogte, en toch begaven de dijken het.





