Nieuw waterbeheer in Nederland

Schoon water is niets bijzonders – tenminste zo lijkt het. We drinken het niet alleen, we spoelen het toilet ermee door, we wassen er de auto mee en we zwemmen er in. Water is zo vanzelfsprekend dat het pas opvalt als er een tekort is. Of een overschot. Als er aan de waterleiding gewerkt wordt en komt geen water uit de kraan, of als je in het buitenland geen kraanwater kunt drinken, merk je pas hoe bijzonder schoon water eigenlijk is. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van rivier- en zeewater. Aan het strand is het kabbelde water meer dan welkom. Maar als je kelder ermee vol staat, is het toch een andere zaak. Doordat er niet dagelijks een dijk doorbreekt, lijkt het alsof de balans tussen land en water heel gewoon is. In Nederland zijn mensen echter dag en nacht bezig met waterbeheer.

Het klimaat verandert

In de toekomst zal het steeds moeilijker worden om water zo vanzelfsprekend te houden als het is. De kans dat er overstromingen optreden zal namelijk toenemen. Doordat de aarde opwarmt, smelten de ijskappen, neemt het watervolume toe en stijgt de zeespiegel. Dat heeft gevolgen voor de veiligheid van mensen die aan de kust wonen. Aangezien half Nederland onder de zeespiegel ligt, kunnen klimaatveranderingen op veel mensen van invloed zijn. Zeker omdat geologische processen ervoor zorgen dat de Nederlandse bodem langzaam daalt. Voor Nederland betekent de klimaatverandering ook een hogere temperatuur en meer neerslag. In 2100 zal de gemiddelde temperatuur tussen de 1 en 6 graden Celsius hoger liggen dan tegenwoordig. Hoewel de neerslag in de zomer ongeveer gelijk blijft, kan de winterneerslag met 6% tot 25% toenemen.

Dat betekent dat de rivieren en sloten in de winter meer water te verwerken krijgen. Lang niet alle rivierdijken kunnen dat aan. Omdat het aantal Nederlanders jaarlijks toeneemt, zijn er ook meer huizen en wegen nodig. Het asfalt en beton maken het voor regenwater moeilijk om de grond in te trekken. In de zomer daarentegen zal er eerder een watertekort zijn. De grond verdroogt, de watervervuiling neemt relatief toe en het zoute water rukt op. Als het waterpeil in rivieren daalt dan kan het zeewater in de monding van de rivieren verder landinwaarts trekken.

Ruimte voor water


De afgelopen jaren is men in Nederland steeds meer gaan beseffen dat het geen zin heeft om dijken te blijven verhogen. Zeker als de zeespiegel de komende eeuw met een meter stijgt, kunnen de dijken niet simpelweg een meter worden opgehoogd. Er zal structureel iets aan het waterbeheer moeten veranderen. De overheid heeft de afgelopen jaren een nieuw beleid ontwikkeld, waarbij centraal staat dat het water de ruimte moet krijgen. Uitgangspunt is dat het water ruimte nodig heeft en dat het die ruimte ook opeist als we het niet geven. Het is daarom beter het water van te voren op uitgekozen plaatsten meer ruimte te geven, in plaats van het drukbevolkte gebieden te laten overstromen als het te laat is.

Meer ruimte voor water betekent aan de ene kant meer natuur. Aan de andere kant betekent het dat mensen uit bepaalde streken zullen moeten verhuizen. Wie door de Ooijpolder in de buurt van Nijmegen fietst of wandelt, zal overal spandoeken en borden aantreffen waarin wordt geageerd tegen de kabinetsvoorstellen de polder te laten onderlopen als het waterpeil van de Waal te hoog staat. Het is ook een beetje tegen-intuïtief om land te laten onderlopen wat eeuwen geleden na een lange strijd op het water is gewonnen. Tegelijk blijft de veiligheid voorop staan. Polders worden niet zonder reden onder water gezet. Alleen door water meer ruimte te bieden kan ervoor gezorgd worden dat Nederland ook in de 21ste eeuw veilig en leefbaar is.

Breuk met het verleden


Lange tijd was het de gewoonte om al het water in Nederland zo snel mogelijk in zee te lozen. Hoe eerder men ervan af was, hoe beter. De sloten, gemalen en pompen waren er toch niet voor niets? De buitengewone warme zomer van 2003 toonde echter wel aan dat deze strategie niet altijd werkt. West-Nederland was zo uitgedroogd dat er water uit het Amsterdam-Rijnkanaal werd aangevoerd om zo lang mogelijk te voorkomen dat er zout water moest worden ingelaten. Door een verlaging van het grondwaterpeil kon de bodem van het veengebied tussen Leiden, Rotterdam en Breukelen inklinken. Hierdoor hadden ook gebouwen in de omgeving kunnen verzakken. Een ander probleem was het koelwater van elektriciteitscentrales. Het koelwater dat in het oppervlaktewater terecht komt, mag niet warmer dan dertig graden Celsius zijn. Het water in meren, rivieren en sloten zou dan zo warm kunnen worden dat vissen sterven, populaties blauwalgen explosief toenemen en botulisme de kop opsteekt. Ecosystemen zouden hierdoor ontregeld raken.

Soms zou het handig zijn om water achter de hand te hebben voor het geval dat het nodig is. Een pluspunt is: het water dat in de winter extra valt kan het tekort in de zomer compenseren. Een minpunt: waar laat je het water? De beste methode is om het water vast te houden waar het ontstaat. In Noord-Brabant, Limburg en Vlaanderen hebben boeren al stuwen geplaatst om het regenwater niet direct te laten wegstromen. Doordoor stijgt het grondwaterpeil en hoeft er minder gesproeid te worden. Als het niet mogelijk is om het water op de plek vast te houden waar het ontstaat, kan het water weggepompt worden naar een gebied dat daarvoor aangewezen is. Een polder kan dan bijvoorbeeld als buffer dienen.