- De eerste vloeden
- St. Elizabethsvloeden (1404, 1421)
- Felixvloed (1530)
- Allerheiligenvloed (1570)
- Kerstvloed (1717)
- De Zuiderzeevloed (1916)
- De watersnoodramp van 1953
- Voor de ramp van 1953
- Klimatologische omstandigheden
- Verwoestende Kracht
- De redding
- Gevolgen
- Media
- Ooggetuigenverslagen
- Ik zag mijn vader huilen
- Jezus gered uit het water
- De vrouw van het stoomgemaal
- Je kon Donato niet herkennen
- De stilte erna was nog erger
- Wrange gedachte
- Het varken in de kinderstoel
- Trouw tot in de dood
- Te jong om te helpen
- De missie van de Vliestroom
- Zoute helden ongedecoreerd
- Bij elke tree een bijbeltekst
- Opa wilde per se naar huis
- Ze wilden niet door de moffen gered worden
- Psalmgezang en vloeken
- Moeder zat vast in het puin
- Overhaast afscheid van Tini
- Niet naar de film met Bertje
- Herstel van het getroffen gebied
- Herdenking Ramp 1953
- Recente Internationale Rampen

Opa wilde per se naar huis
"Op 31 januari 1953 was onze opa bij ons op visite om naar de nieuwe kachel te kijken. Het stormde heel erg en onze ouders wilden niet dat opa door de storm naar huis ging en vroegen hem te blijven slapen. Maar opa wilde per se naar huis.
Diezelfde nacht konden de dijken het beukende water niet meer aan. Vader dacht dat wij, de drie kinderen, met water aan het spelen waren. Hij ging kijken, deed de slaapkamerdeur open en sloeg door het water achterover. Vader en moeder vluchtten naar boven. Ze konden niets meer meenemen, zoals eten of kleding of belangrijke spullen. Zij sliepen altijd beneden en wij boven.
Daar zaten we dan, vijf personen, vader, moeder, onze oudste zus van tien jaar, een zus van zes en ikzelf bijna vijf jaar. Het water kwam steeds hoger, het was heel angstig. Op de duur kwam het tegen het zolderluik. Ten einde raad vluchtten we door het kleine dakvenster naar het dak. Als je in nood zit kan er veel: zelfs onze behoorlijk dikke moeder is er door geklommen.
Gelukkig zag vader een groot vlot aan komen drijven, wat hij nog net heeft kunnen vastgrijpen. We klommen er met z`n vijven op, allen in ons nachtgoed, in de barre kou. Wat wij toen niet allemaal hebben meegemaakt: schreeuwende mensen, overleden baby`s die voorbij dreven, loeiende koeien, paarden die op ons vlot wilden kruipen, met angstige ogen keken ze ons aan. We moesten ze wegduwen om ons eigen leven te redden. We hadden kou en raakten uitgeput, waardoor vader van het vlot afviel. Maar hij klampte zich vast aan een boom en klom terug op het vlot. Onze buurjongen, die mongoloïde was en heel bang van water, gilde alles bij elkaar. Het ging ons door merg en been. Op een gegeven moment verstomde het gegil en is hij samen met zijn vader verdronken.
Zo hebben wij twee dagen en drie nachten doorgebracht op het vlot en in de kou zonder eten of drinken. Wij werden als één van de laatsten gered met een roeiboot en naar een hoger gelegen huis gebracht. Van daaruit zijn we per helikopter naar de Ahoy hallen in Rotterdam gebracht, waar een noodziekenhuis was ingericht. Moeder en ons zusje van zes jaar waren er slecht aan toe. Zij moesten worden opgenomen. Ons gezin is goed opgevangen.
Wij zijn allen dankbaar dat ons gezin gespaard is gebleven. Maar veel familieleden van ons hebben de ramp niet overleefd. Zo ook onze opa, die niet wilde blijven slapen en naar huis ging. Hij is verdronken. Deze rampnacht, nu vijftig jaar geleden, beïnvloedt nog steeds ons leven. We durven nog niet in zee te zwemmen zonder zand onder onze voeten. En bij zware storm worden we er weer mee geconfronteerd en komt alles weer boven."
W. J. Sponselee-Den Haan
M. W. Nap-Den Haan
Nieuwerkerk
©PZC 15-01-03





