Planten
Aan de duinen kun je vaak precies zien hoe ze zijn gevormd. Hoe verder landinwaarts je gaat, hoe ouder de duinen zijn. Dichter bij zee zijn de duinen - en dus ook de begroeiing - jonger. Op het strand proberen pioniersplanten te overleven, terwijl achter in de duinen hele bossen zijn ontstaan. De variatie aan planten is erg groot in de duinen. Hieronder worden een aantal plantensoorten beschreven die in de duinen voorkomen.
De blauwe zeedistel (Eryngium maritimum) is een beschermde plant. Deze distel wordt maximaal 60 cm groot en heeft zijn naam te danken aan de blauwe bloemen en de blauwgroenige stengel en blad. De blauwe kleur wordt veroorzaakt door een waslaagje dat de zeedistel bedekt. Dat laagje beschermt de plant tegen uitdrogen en geeft hem een groot voordeel in de soms droge duinen.
De zeeraket (Cakile maritima) wordt maximaal 60 cm hoog en is te herkennen aan zijn lichtroze bloempjes. Net als de blauwe zeedistel heeft de zeeraket een manier gevonden om op het strand of in de duinen te kunnen overleven. De zeeraket heeft dikke, vlezige bladeren waarin water opgeslagen kan worden. Aan het tweede deel van de Latijnse naam (maritima) kan men al zien dat de zeeraket het goed met de zee kan vinden.
Helmplanten (Ammophila arenaria) kunnen wel een meter hoog worden en hebben een uitgebreid wortelstelsel om zoveel mogelijk water uit het zand te kunnen opzuigen. Omdat de wortels het zand goed vasthouden, wordt helm vaak aangeplant op plaatsen waar duinen dreigen te verstuiven. Zelfs als helm helemaal bedekt is met zand kan het er toch weer bovenuit groeien. Bij droog weer rollen de bladeren zich op, zodat de huidmondjes aan de binnenkant komen te zitten. Via de huidmondjes kan het opgenomen water namelijk verdampen. Bij droog weer probeert helm te voorkomen dat er op die manier teveel vocht verloren gaat.
Vlieren (Sambucus nigra) zijn grote donkergroene struiken die in juni roomwitte bloesem dragen. Daarvan kan bijvoorbeeld lekkere vlierbessensiroop worden gemaakt. De met zon beschenen bloemen moeten dan enkele dagen in water met suiker en citroen gelegd worden. Vlieren zijn een veelvoorkomend verschijnsel in Zeeland. Je vind ze niet alleen in de duinen, maar ook langs fietspaden in de polder. Ze staan op stikstofrijke plaatsen in lichte bossen, op omgewerkte grond, achter de zeereep en in heggen en duinen. De struiken kunnen wel zes meter hoog worden. Vlieren in de duinen zijn vaak bedekt met zand en zien er dood uit. Onder de dode takken bevindt zich echter groene blaadjes. De dode takken gebruikt de vlier expres om de de levende delen tegen de zoute zeewind te beschermen.
Duindoorn (Hippophae rhamnoides) zijn tweehuizig: er zijn zowel mannelijke en vrouwelijk struiken. Deze struiken groeien in duinvalleien en worden maximaal 4 meter hoog. De vrouwelijke duindoornstruik is herkenbaar aan de hoeveelheid oranje bessen. Mocht je dorst krijg in de duinen: de besjes zijn goed tegen de dorst en bevatten veel vitamine C. Nog voordat de zomer begint worden de bladeren grijzer. Om te voorkomen dat de plant uitdroogt, groeien er namelijk ‘haren’ op de bladeren. Die haren geven het blad hun grijze kleur. De duindoornstruik kan razendsnel groeien om te voorkomen dat zand de plant overdekt. Hoewel een halve meter groei per jaar best veel lijk, is het slechts net iets meer dan 1 mm per dag. De duindoorstruik staat het liefst op kalkhoudende grond. Voedselrijkere grond is ook geen probleem, maar dan krijgt de duindoornstruik wel concurrentie van de vlier. Aangezien de vlier meters hoger dan de duindoorn kan worden, legt de laatste dan vaak het loodje.
Dauwbramen (Rubus caesius) behoren tot de rozenfamilie en zijn verwant aan de framboos en de Japanse wijnbes. Ze groeien kruipend en komen voor in duinen en bij rivieren. Dauwbramen zijn in de duinen achter de zeereep zo vaak te vinden, dat dit deel van de duinen ook wel het dauwbraamlandschap wordt genoemd.
Kruipend stalkruid (Ononis repens) houdt - net als de Duindoorn - wel van kalkrijke grond. Op de stengels en bladeren bevinden zich klierharen die zandkorrels uit de lucht zeven. De plakkerige massa die de klierharen afscheiden stinkt naar een stal (vandaar de naam).
Ruw vergeet-mij-nietje (Myosotis ramosissima) groeit op kalkhoudende droge grond in duinen, wegbermen en rivierduinen en wordt maximaal 25 cm hoog. De ruwbladige groeit het beste op zonnige zuidhellingen van de duinen. De bloempjes zijn zo klein dat je een vergrootglas nodig hebt om de blauw bloemen met de geel hartjes te kunnen zien.
Kandelaartje (Saxifraga tridactylites) behoort tot dezelfde familie als Pernassia. Ze leven op open droge en kalkrijke grond, vooral op duinhellingen en stenige plaatsen zoals muren. Het kandelaartje is makkelijk te herkennen aan de roodachtige steeltjes en witte bloemen.
De Nachtsilene (Silene nutans) is een plant die geen grote zonliefhebber is. Hij groeit daarom niet op de zuid- maar op de noordhelling van de duinen. Het bloeritme van de plant is ook anders dan je zou verwachten. Overdag zien de witte bloemen er verfomfaaid, uitgebloeid uit. Aan het begin van de avond komen de kroonvormige bloemen echter tot leven en verspreiden ze een aangename geur.
De Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna) komt voornamelijk voor in bossen en duinen en wordt maximaal zo'n 4,5 meter hoog. Het duingebied Meijendel bij Den Haag dankt zijn naam waarschijnlijk aan de meidoorn. 'Del' komt van 'dal' en 'Meijendel' betekent letterlijk 'meidoornvallei'. De stuiken zijn te herkennen aan de witte bloemblaadjes en donkergroene bladeren. De vorm van de struiken wordt vaak door de overheersende richting van de zeewind bepaald. In de duinen kan de meidoorn kan er daarom nogal kaal en gebogen uitzien. Ze zijn een broedplek voor vogels en een voedselbron voor insecten.
De Egelantier is een wilde rozensoort waarvan de blaadjes klierharen hebben. Voornamelijk met nat weer scheiden die een sterke appelgeur af. Soms wordt de elegantier verward met een andere rozensoort, de hondsroos. De bloemen van de hondsroos zijn echter helemaal roze en missen de kenmerkende appelgeur. Bij de elegantier zijn de bloemen donkerroze met een wit randje om het hart. De stekels op de steel hebben zwoel haakvormige als rechte doorns.
Het Duinroosje (Rosa pimpinellifolia) groeit veel in de duinen op tamelijk voedselarme kalkhoudende grond en wordt maximaal 1,5 meter hoog. Voor konijnen vormt de kleine struik een bron van knaagplezier. In de duinen wordt de duinroosstruik daarom nooit erg groot. De roosjes zijn wit en zijn relatief groot in vergelijking tot de struik. De lage struiken kunnen soms een grote oppervlakte bedekken.





