Visserij in Zeeland
Historie
De visserij is één van de belangrijkste componenten van de Zeeuwse cultuur. De eerste duidelijke vermeldingen van Zeeuwse vissersschepen dateren uit de veertiende eeuw. Het haringvissen vormde in die tijd de belangrijkste vorm van visserij in Zeeland. Lange tijd was de visserij de motor achter de Zeeuwse economie. De belangrijkste havenplaatsen voor de visserij zijn Vlissingen, Breskens en Colijnsplaat. Hier bevinden zich de drie vismijnen.
Tegenwoordig is de visserij niet meer de kracht achter de Zeeuwse economie. Vanaf 1870 trad er een verschuiving op. De mossel- en oestervangst werd vervangen door kweek. Stukken Oosterschelde werden verkocht aan heren van stand, die het exclusieve recht kregen op die stukken te kweken en te 'oogsten'. Dit was voor vele kleine vissers de economische doodsteek. Yerseke, het centrum van de mossel- en oestervangst, voer er echter wel bij. Het groeide uit van een gehucht tot het hart van de mossel- en oesterindustrie wereldwijd.
Er zijn vandaag de dag nog zo’n 900 Zeeuwen werkzaam in de visserij. In ruimere zin zijn 2300 mensen actief in de visserij en aanverwante bedrijvigheid, zoals de handel. Er zijn ongeveer 50 kotters actief. De belangrijkste vangsten zijn tong, schol, kabeljauw en wijting. In 2000 bedroeg de waarde van de totale aanvoer circa 53 miljoen euro (Vlissingen 34 miljoen euro, Breskens 11 miljoen euro, Colijnsplaat 9 miljoen euro).
De mossels en oesters van Yerseke
De Zeeuwse mossels en oesters (veelal afkomstig uit de Oosterschelde) zijn wereldberoemd. Yerseke vormt het centrum van de schelpdiercultuur.
De mosselcultuur dateert al van de 15e eeuw. Enkele weken per jaar, in het voor- en najaar, wordt het mosselzaad opgevist. Dit gebeurt voornamelijk in de Waddenzee. Daarna wordt het opgeviste zaad uitgezaaid op speciale percelen in de Waddenzee of Oosterschelde.
Om de mossel- en oestervangst weer op een fatsoenlijk en economisch levensvatbaar te brengen, werd in 1866 per koninklijk besluit het pachtsysteem ingevoerd voor de vangst. Dit betekende een radicale ommezwaai in de manier van werken.Voor die tijd werd de teelt gedaan op zogenaamde wilde banken. Nu kregen alle vissers of andere vermogende personen een stuk water toebedeeld, waarop zij mochten kweken en oogsten. De pachters van de mossel- en oesterpercelen deden hun best om het gedeelte water dat zij in pacht hadden renderend te maken. Wilde men in aanmerking komen voor een perceel, dan moest men op zijn minst een geschikt vaartuig bezitten.
Het kweken van mosselen is vrij eenvoudig. Eerste benodigdheid is uiteraard mosselzaad en dat was hoofdzakelijk te vinden op zeeweringen en golfbrekers. Schepen voeren 's winters naar de Waddenzee om daar mosselzaad op te halen waarna ze terug voeren naar hun perceel om het zaad uit te zaaien. Daarna werd het broed na een vaste tijd opgevist met behulp van de boomkortechniek
Ook lieten de mosselkwekers hun schepen droogvallen op hun mosselbanken en dan werden de mosselen losgeharkt en ingeladen in het ruim. Vervolgens werd naar de verwaterplaatsen gevaren. Daar werden de mosselen opgeslagen in afwachting van de verkoop. De verwaterplaatsen ontdeden de mosselen in de tussentijd van viezigheid en zand.
Tegenwoordig is er maar liefst 6000 hectare mosselpercelen in de Waddenzee en Oosterschelde. Die zijn door het Rijk verhuurd aan zo’n 80 kwekers, die allen uit Zeeland afkomstig zijn.
De oestercultuur was ingewikkelder. Men gebruikte tot het einde van de negentiende eeuw dakpannen voor waarop de oesterzaadjes zich moesten vastzetten. De pannen moesten herhaaldelijk gereinigd worden. dat werd tijdens laag water gedaan, waarbij ze tevens omgedraaid werden. Voor de winter werden de pannen weer op het droge gebracht en werd het oesterzaad van de groeibodem afgesneden. In de oesterputten stonden houten ramen die bespannen waren met draadjes, daartussen werd het zaad uitgezet. Dit alles was met elkaar zeer intensief werk, wat in de huidige tijd volkomen onbetaalbaar zou zijn. De netten beschermden het zaad tegen krabben en andere belagers. Af en toe werd het broed gereinigd en het water werd daarna ververst. Na een jaar werden de kleine oesters op de kweekbanken gezet. In de twintigste eeuw werden de dakpannen vervangen door schelpen.
Overige visserij in Zeeland
De beroepsmatige palingvisserij vindt in de Oosterschelde en de binnenwateren plaats. Enkele kreeftenvissers zijn van 1 april tot half juli op de Oosterschelde actief. Met ruim 20 schepen wordt in de periode van eind augustus tot begin december op kokkels gevist, voor de kust en in de Ooster- en Westerschelde.







