Visserij

Mosselvisser in actie
Mosselvisser
Onder visserij verstaat men alle menselijke activiteiten die tot doel hebben vissen, schaaldieren (garnalen, krabben, kreeften), schelpdieren (mosselen, kokkels, enz.), weekdieren (o.a. inktvissen), zoogdieren (walvissen), algen en wieren uit het water te halen, meestal met de bedoeling ze op te eten. Sommige mensen vissen om de vis zelf op te eten, of te verkopen; anderen vissen voor hun plezier. Van de hoeveelheid eiwitten die de mens nodig heeft, draagt de consumptie van vis daar wereldwijd voor 18 procent aan bij. In ontwikkelingslanden is dat percentage over het algemeen hoger. De visserijsector biedt in totaal aan ongeveer 10 miljoen vissers een baan. Afgezien van de vissers zelf, zijn er ook nog eens miljoenen mensen werkzaam in de sector om de vis te verwerken, transporteren en verkopen. Verder moeten er natuurlijk ook boten en schepen worden gebouwd.

Zee- en zoetwatervisserij

De visserij wordt onderverdeeld in de zeevisserij en de zoetwatervisserij. Eerst zal de zeevisserij worden besproken. De grote zeevisserij is gericht op de vangst van haring, makreel en horsmakreel. Voor deze vissoorten wordt gebruik gemaakt van de pelagische visserij, een methode voor de vangst van vissoorten die meestal op enige afstand van de bodem leven, namelijk de pelagische vissoorten (o.a. haring, makreel). Bij de pelagische visserij wordt een groot, vierzijdig zweefnet toegepast (de pelagische trawl) dat zowel in horizontale als verticale richting opengetrokken wordt. Door snelheid te verhogen of te verminderen kan de pelagische trawl op de juist diepte van de vis gebracht worden. Voor zowel opsporing van vis als boven de zeebodem uitstekende klippen wordt van de sonar gebruik gemaakt. De pelagische visserij wordt het hele jaar door de Nederlandse trawlers. De vissersschepen hebben de vorm van een trawler, waarbij de vangst aan boord wordt verwerkt en ingevroren. In de kleine visserij daarentegen, wordt gebruik gemaakt van kotters, die zich voornamelijk richten op de vangst van platvis of rondvis. Ook de kustvisserij is in handen van kleine kotters, die zich behalve op vissen ook op garnalen kunnen richten. De mosselvisserij richt zich op mossels, die slechts op een aantal plekken in Nederland groeien.

Mosselschip
Mosselschip
En dan de zoetwatervisserij. Het grootste gedeelte hiervan vindt plaats op het IJsselmeer. Daar is 220.000 ha zoetwater beschikbaar, terwijl het totale beschikbare zoetwateroppervlakte in Nederland 330.000 ha meet. De belangrijkste zoetwatersoorten zijn: snoek, snoekbaars, baars, brasem, kolblei, blankvoorn, ruisvoorn, karper, winde en meun. Regenboogforel wordt op vrij grote schaal als geteelde vis uitgezet, bijvoorbeeld in het Veerse Meer, het Grevelingenmeer en het Brielse Meer. Zalm, zeeforel en andere riviertrekvissen zijn door verontreiniging van de Rijn en Maas bijna helemaal verdwenen. Aal komt nog op grote schaal in de Nederlandse binnenwateren voor (m.n. in het IJsselmeer na de afsluiting van de Zuiderzee).

Boten

In de Nederlandse visserij wordt met twee soorten boten gevaren, de kotters en de trawlers.  De complete Nederlandse vloot telt circa 400 kotters en 16 trawlers. Kotters zijn kleinschalige boten die veelal vlak voor de kust of op de Noordzee vissen. Met een trawler kan op veel grotere schaal visserij worden bedreven. Het visnet hangt achter het schip in het water. Trawlers zijn vaak meer dan 100 meter lang en kunnen veel langer op zee blijven van boomkorkotters. Een trawler kan zes weken achter elkaar blijven vissen. Nederlandse trawlers vissen vaak op de oceaan, of bijvoorbeeld voor de kust van Afrika.

Vangsttechnieken

Boomkorvisserij

Het overgrote merendeel van de Nederlandse en ook Zeeuwse vissersvloot werkt volgens de techniek van de boomkorvisserij. Kor is een ander woord voor net. Dat net hangt aan een 'boom' aan twee kanten van het schip, vandaar de naam boomkor. Dit net wordt vlak boven de zeebodem gehangen. Voor het net uit schuiven zogenaamde wekkerkettingen over de zeebodem, die de vis moeten 'wakkerschrikken', zodat ze verstrikt raken in het net.
Met de boomkor wordt vooral gevist op de platvissoorten schol, tong, schar, tarbot en griet.

Rondvisvisserij

Behalve de boomkorkotters die op platvis vissen zijn er ook kotters die op rondvis vissen. Rondvis is rond van vorm, bijvoorbeeld kabeljauw en wijting. Deze vissen zwemmen niet zo diep als tong en schol. Om ze te vangen is een andere techniek nodig. Het net hangt dan achter het schip in plaats van aan de zijkant.

Garnalenvisserij

De garnalenvisserij berust ook op het principe van de boomkormethode. De vistuigen zijn echter aanzienlijk lichter. Bovendien maken de garnalenkotters geen gebruik van wekkerkettingen. Met eenvoudige ronde rolletjes van kurk of kunststof jaagt men de garnalen in het net. Er wordt in Zeeland naar garnalen gevist op zowel de Oosterschelde als de Westerschelde. Er zijn lang niet meer zoveel garnalenvissers actief als vroeger. De visserij op garnalen vindt twee keer per jaar plaats voor de Nederlandse en Belgische kust en in de Waddenzee.

Enkelvoudige trawlvisserij

Dit is een vrij oude methode waarbij twee scheerborden zorg moeten dragen voor de horizontale opening van het net. De verticale opening wordt bereikt door attributen met drijfvermogen aan de bovenpees te bevestigen. Aan de onderpees zijn vaak één of twee kettingen bevestigd. Ook met de enkelvoudige trawlvisserij wordt vooral op rondvis gevist: kabeljauw, wijting en een beetje schar.

Pelagische trawlvisserij

De zogenaamde pelagische trawlvisserij wordt in de Noordzee gebruikt voor vissoorten die in de waterkolom zwemmen: makreel, horsmakreel en haring. Pelagische betekent zwevend: de pelagische vissoorten zwemmen afhankelijk van de sterkte van het licht dicht bij het wateroppervlak of dieper in de zee.
Er wordt ook met deze techniek gevist op kleine visjes die in scholen zwemmen. Voorbeelden hiervan zijn de sprot en de spiering. De vis uit deze zogenaamde industrievisserij wordt tot vismeel verwerkt. In Nederland komt deze visserij echter niet veel voor. Het zijn vooral Deense schepen die vissen voor de vismeelindustrie.

Op de Noordzee wordt niet veel op deze methode gevist. Desalniettemin is Nederland wel in het bezit van een forse pelagische trawlervloot. Het grootste deel van deze trawlers vist ten westen van Ierland en Schotland in de Atlantische oceaan, en bij Mauritanië. Daar wordt vooral op sardinella gevist.

Industrievisserij

Op de Noordzee zijn het vooral de Denen en in mindere mate de Noren die vrijwel het gehele jaar vissen op minder commerciële vissoorten. Dat doen zij met een grondtrawl, gebaseerd op het principe van de enkelvoudige trawlvisserij.  Omdat het vaak om grote schepen met krachtige motoren gaat, zijn de netten die in de industrievisserij gebruikt worden behoorlijk groot. De scheerborden die het net open moeten houden, hebben soms een omtrek van meer dan twee bij drie meter. Bij de enkelvoudige trawlvisserij is dat anderhalf tot hooguit twee meter.

Spanzegenvisserij

Bij spanzegenvisserij wordt er met twee schepen tegelijk gewerkt. Vanuit het ene schip wordt het net uitgeworpen, waarna beide schepen beide in een omtrekkende beweging van elkaar af varen. Zodoende omspannen ze een hele school vissen.