Voor de watersnoodramp van 1953


Nederlandhoogenlaag
Deskundigen hebben al jaren voor de watersnoodramp gezegd dat er snel wat gedaan moest worden aan de toestand van de dijken. Toch is er onvoldoende aandacht aan besteed. Hoe ernstig was de situatie nu echt en waarom werd er niet naar de adviseurs geluisterd?

Toestand van de dijken

In 1929 wordt door Rijkswaterstaat de Studiedienst van de Benedenrivieren, Zeearmen en Kusten opgericht. In de eerste jaren van haar bestaan doet deze Studiedienst vooral onderzoek naar de bevordering van de scheepvaart. Later houdt zij zich ook bezig met onderzoek naar onder andere de staat en het waterkerende vermogen van de dijken.
In 1934 doet de Studiedienst een onderzoek naar de gevolgen van de inpoldering van de Hollandse Biesbosch. Uit het onderzoek komt naar voren dat de gevolgen voor Dordrecht alarmerend zijn: de dijken blijken bijna allemaal te laag te zijn. Ook uit een rapport uit 1928 was al naar voren gekomen dat de dijken in West-Brabant niet aan de veiligheidseisen voldoen, maar men had niet veel zin om veel geld uit te geven aan dijkverhogingen. Uit beide onderzoeken blijkt echter wel dat er snel iets gedaan moet worden aan de staat van de dijken in het gebied langs de benedenrivieren.
 
De heer De Muralt bedacht daarom een goedkope manier om het probleem op te lossen. Hij stelde voor om de bestaande dijken te verhogen door er een betonnen muurtje van enkele decimeters hoog op te plaatsen. Zo zijn tussen 1906 en 1935 in totaal 120 km zeedijken met een Muraltmuur verhoogd, vooral in Schouwen en Zuid-Beveland.

Hoge waterstanden in 1943

In april 1943 is er sprake van een uitzonderlijke hoge waterstand. Op veel plaatsen loopt het water over de dijken heen. Er wordt opnieuw onderzoek gedaan naar de breedte en hoogte van de waterkeringen, en weer zijn de uitkomsten niet best. De dijken hebben ernstige gebreken en volgens Rijkswaterstaat is de kans op grote problemen bij een hoge stormvloed een reële wetenschappelijke kans.

Uitstel door WO II 

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zorgt ervoor dat de plannen van Rijkswaterstaat om de toestand van de dijken rond Dordrecht te verbeteren, niet uitgevoerd kunnen worden.

Wel worden er tijdens de Tweede Wereldoorlog verdere studies uitgevoerd door de Stormvloedcommissie die in 1939 werd opgericht. De plannen van deze commissie worden door Rijkswaterstaat niet echt enthousiast ontvangen. Rijkswaterstaat besteedt haar aandacht liever aan de inpoldering van de Zuiderzee, zodat er meer land gewonnen kan worden. Meer land betekent namelijk meer ruimte voor de landbouw en bewoning, wat meer geld oplevert.

In de Tweede Wereldoorlog loopt het Zeeuwse landschap veel schade op. Dijken worden gebombardeerd en land wordt ook opzettelijk onder water gezet om de Duitsers weg te jagen. Het herstelwerk van het Zeeuwse landschap komt in maart 1945 op gang, en in februari 1946 zijn alle dijken om Walcheren weer dicht. Ook deze herstelwerkzaamheden leidden de aandacht af van de noodzakelijke dijkverhogingen.

Verziltingsprobleem


Nederland en verzilting
De Studiedienst blijft intussen aandringen op dijkverhogingen, maar nog steeds speelt geld een belangrijke rol. Rijkswaterstaat houdt zich vooral bezig met het verziltingsprobleem waar de agrarische sector in het Deltagebied mee te maken heeft en die de boeren veel geld kost. Door het verdiepen van waterwegen aan de kust kan de zee steeds makkelijker landinwaarts komen. Als gevolg hiervan, wordt het grondwater zouter (verzilting), wat akkerbouw bemoeilijkt. Veel landbouwgewassen kunnen namelijk niet tegen zout of brak water en gaan dood. Naar aanleiding van het verziltingsprobleem worden er verschillende plannen opgesteld met dezelfde doelstelling: het tegengaan van de verzilting en een groot gebied onbereikbaar maken voor stormvloeden. Van belang is echter wel dat de Nieuwe Waterweg open blijft, omdat deze heel belangrijk is voor de scheepvaart. Binnen deze plannen hebben de dijken niet de hoogste prioriteit: belangrijker is de afsluiting van de Zuid-Sloe en de Brielse Maas. ( Eventueel nieuw onderwerp: Voor de spoorlijn Bergen op Zoom- Vlissingen was in 1871 het Sloe al afgedamd, en het land dat daarna aangeslibt was, moest ingepolderd worden. De afdamming van de Brielse Maas had als voordelen kustverkorting van 50 km, minder verzilting door verzoeting van de Brielse Maas, landaanwinst en omvangrijke zandwinning voor de verbetering van de dijken langs de grote rivieren.)

Het is best te begrijpen dat men niet stond te springen om geld uit te geven aan het verbeteren van de dijken. Er waren al jaren geen ernstige overstromingen geweest, en het geld was hard nodig om ervoor te zorgen dat de agrarische sector bleef draaien. De verzilting van de landbouwgronden in de Zeeuwse Delta's trok de aandacht omdat oogsten mislukten en dat de boeren veel geld kostte. Ook de schade die het landschap geleden had tijdens de Tweede Wereldoorlog moest eerst worden hersteld, en de voedselschaarste tijdens de oorlog leidde de aandacht af van de toestand van de dijken. Om de voedselschaarste tegen te gaan had men meer landbouwgrond nodig, en door verbeterde technieken kon nu ook lager gelegen land droog worden gemaakt en bedijkt. De bestaande dijken kregen daardoor weinig aandacht.

Na de oorlog komt de wederopbouw in volle gang. Het lijkt eindelijk allemaal weer goed te gaan. Maar in 1953 blijkt dat de zee nog altijd op de loer ligt...