Watermanagement door de eeuwen heen

De Middeleeuwen

Wat zou er gebeuren als Nederland niet zou worden beschermd door dijken?
Animatie: Nederland zonder dijken en duinen
Het bedijken, inpolderen en droogmalen van gebieden is een klus die een enkele boer niet zelfstandig kan ondernemen. Al vroeg in de Nederlandse geschiedenis werden mensen gedwongen om samen te werken in de strijd tegen het water. Dit begon in de periode 1000-1400, toen mensen de veengebieden in West-Nederland gingen bevolken. Om landbouw op de veengronden mogelijk te maken, moest het gebied ontwaterd worden. Langs de akkers werden slootjes gegraven zodat het water weg kon stromen.

Maar omdat het water uit het veen gehaald werd, klonk de grond in en daalde het niveau van het land steeds verder richting het grondwaterpeil. Uiteindelijk was een waterstaatkundig systeem nodig om het water buiten de deur te houden. Er werden afwateringskanalen (wateringen of weteringen) gegraven die bij een rivier werden afgebakend met een sluis. De sluis kon hoog water van buiten tegen houden en het overschot aan water in het veengebied wegsluizen. Dat wegsluizen lukte alleen als de rivierstand niet te hoog was. Als de rivierstand langdurig hoog bleef, stroomde uiteindelijk het water alsnog de polder weer in. Om dit te voorkomen werd iedere akker zelf ook omsloten door dijken, met een eigen sluisje naar de watering. Zo ontstond het polder-boezemsysteem: een gebied met daarin een aantal poldertjes, dat afgesloten is van het ‘buitenwater’ van de rivier. Het gebied tussen de poldertjes in, dat wel afgesloten is van de rivier, heet de boezem. Hierin kan in tijden van langdurig hoogwater tijdelijk water worden opgevangen, zonder dat de akkers onderstomen.

Na verloop van tijd daalde de veengrond echter zover, dat dit systeem niet meer afdoende was. De grond bleef drassig. Vanaf de vijftiende eeuw kwam een nieuwe technologische ontwikkeling op, die hier een oplossing voor bood: de windbemaling. Op de sluizen tussen de polder en de boezem werd dan een molen geplaatst. Die kon het water omhoog pompen. De molen kon dus altijd water van de polder naar de boezem pompen, ook als het water in de boezem hoger stond. Er was één probleem: ook de boezem kon vol raken. En het leegpompen van de veel grotere boezem in de rivier was in deze periode nog een veel te kostbare zaak.

Een enkele boer was niet in staat om al deze dijken, sluizen en bemalingen te bouwen en te onderhouden. Om de kosten te delen, werden rond 1200 al buurtschappen opgericht op de woeste veengronden. Deze buurtschappen, ook wel ‘kerspels’, ‘bannen’ of ‘ambachten’ geheten, kun je beschouwen als de voorlopers van de latere waterschappen. In zo’n gemeenschap was iedere boer verantwoordelijk voor het onderhouden van zijn eigen stukje dijk. Later veranderden deze buurtschappen in waterschappen met een eigen bestuur. Elk waterschap was meestal ontstaan om een specifiek probleem aan te pakken. In de meeste gebieden bleven de waterschappen kleinschalige organisaties die bijvoorbeeld één polder-boezemsysteem beheerden. In Holland, ten zuiden van het IJ, ontstonden daarentegen drie zeer grote waterschappen, de 'hoogheemraadschappen' van Delfland, Schieland en Rijnland. Deze overkoepelende organisaties stonden in hoog aanzien, hadden veel rijkdom vergaard en konden zodoende wetenschappelijk personeel aantrekken en een coördinerende functie vervullen voor de kleinere ambachten in het gebied.

In de andere poldergebieden bleef de waterstaat echter erg verbrokkeld. Die verbrokkeling bracht een aantal funeste problemen met zich mee. Zo waren bijvoorbeeld alleen de polders die direct aan een rivier of de zee lagen verantwoordelijk voor het onderhoud van de rivier- of zeedijk. Polders die door landaanwinning midden in het land terecht waren gekomen, waren hiervan vrijgesteld. De financiële basis voor het onderhoud van de allerbelangrijkste dijken was hierdoor heel smal. Bij de stormvloed van 1675 werd aangetoond waarom dit geen goed systeem was.
Die verbrokkeling betekende ook dat elke waterschap een eigen ontwikkeling doormaakte, en zodoende op een geheel eigen wijze was ingericht, met een andere manier van besturen en werken. Dit maakte de soms broodnodige samenwerking tussen waterschappen vaak moeizaam.

Een ander probleem was dat het onderhoud van de dijk nog in natura gebeurde. Er kon weliswaar iemand van het waterschap gaan controleren of allen de dijk op de juiste hoogte en breedte hadden gebracht, maar de kwaliteit van het gebruikte materiaal en de zorgvuldigheid waren moeilijk te bepalen. In de zestiende en zeventiende eeuw gaan dan ook veel waterschappen over op een nieuw systeem. Ze gaan voortaan zelf de dijken onderhouden en gaan waterschapslasten heffen om dit te bekostigen. Voortaan sleutelde de boer dus niet meer aan de dijk, maar droeg hij slechts belasting af. Dit proces heet het 'gemeenmaken' van de dijken.

De periode van 1500-1700 werd gekenmerkt door een toenemende overheidsbemoeienis op de waterschappen. De Hollandse Staten keken of waterschapsprojecten anderen niet benadeelden en controleerden de hoogheemraadschappen van Holland. Ze keken of nieuwe waterschapsprojecten niet conflicteerden met militaire belangen: waterlinies en inundaties (het onder water zetten van polders) waren belangrijke verdedigingsmiddelen bij militaire dreiging. Ook hielden ze de rivierafwatering in de gaten en grepen ze in bij rampen, zoals de stormvloed van 1675. Na deze ramp lieten de Staten alle waterschappen ieder jaar controleren, om te voorkomen dat ze hun taken lieten verslonzen. De Staten fungeerden dus als een overkoepelende instantie op het gebied van waterstaat.

De Franse Tijd

In 1795 vielen de Franse troepen van Napoleon Nederland binnen. De Nederlandse elite verwelkomde de troepen met gejuich en er brak een groot debat uit over hoe Nederland hervormd kon worden tot een echte eenheidsstaat naar Frans voorbeeld. Hoofdthema in dit debat was centralisatie. Ook de waterschappen moesten gecentraliseerd worden. In 1798 werd na een heftig debat eindelijk een grondwet aangenomen, waarin bepaald werd dat een centrale instelling zorg moest gaan dragen voor alle waterstaatkundige en infrastructurele werken. Dit werd het Bureau voor den Waterstaat.

Na 1815

Nadat in 1815 de Napoleontische legers waren verslagen, werd Nederland weer een autonome staat. Koning Willem I keerde terug en besteeg de troon. Tijdens zijn bewind werd er ontzettend veel op het gebied van waterstaat bereikt: Willem I werd niet voor niets de kanalenkoning genoemd. Ook richtte hij het Amortisatiesyndicaat op. Dit was eigenlijk een investeringsbedrijf, dat met geld van verkochte staatseigendommen en leningen infrastructurele projecten financierde. Behalve dat Willem hiermee zonder toestemming van het parlement allerlei projecten kon uitvoeren en geld in eigen zak kon steken, leverde het Nederland ook een paar zeer nuttige dingen op. Zo was het Noord-Hollands kanaal bij voltooiing (gereed in 1824) het grootste kanaal voor zeescheepvaart ter wereld, werd in 1838 de Rijnspoorweg aangelegd en werd in 1839 de Haarlemmermeer droog gemaald met de krachtigste stoomgemalen die verkrijgbaar waren.

Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw groeide het Bureau, dat vanaf 1815 Rijkswaterstaat heette, tot een uitgebreid, machtig instituut dat zich met steeds meer zaken bezighield. Grote projecten waren bijvoorbeeld de spoorbrug bij Culemborg (1868) en de Noordersluis bij IJmuiden (1929). Ook hield Rijkswaterstaat zich na de watersnoodramp van 1953 natuurlijk bezig met de Deltawerken.