Het Duinlandschap

De vorming van het duinlandschap

De duinen bij Haamstede op het eiland Schouwen Duiveland.
Haamstede
Net als het zeekleilandschap is het duinlandschap een landschap dat altijd in beweging is. De vorming ervan gaat nog steeds door. We kunnen het duinlandschap dan ook dynamisch noemen.

De kustduinen van Nederland zijn gevormd in het Holoceen, en net als bij het zeekleilandschap spelen de wind, het water en zoutminnende plantjes een grote rol bij de totstandkoming van het landschap.

De duinen in Nederland vormen de bovenkant van strandwallen. Ze bestaan uit zand van de bodem van de zee of uit rivieren. Maar hoe komt het zand van de bodem van de zee op het land terecht? We kunnen zeggen dat dit vooral gebeurt door de getijstromingen en de golfwerking.

De getijstromingen

Reststromen in diepte. Bron: Wereld in Werking (Malmberg)
Reststromen
In de zee zijn verschillende getijstromingen. Deze getijstromingen zijn onder te verdelen in 3 verschillende stromingen:
-De vloedstroom
-De ebstroom
-De reststroom

De vloedstroom langs onze kust transporteert water van zuid naar noord. De ebstroom beweegt precies andersom en transporteert water van noord naar zuid. Het water van de zee wordt dus eigenlijk heen en weer bewogen. Door de sterke kracht van de westenwind is het echter zo dat de vloedstroom sterker is dan de ebstroom. Op de lange termijn wordt er dus meer water van zuid naar noord verplaatst dan andersom. Dit water noemen we de reststroom. De reststroom bepaalt de richting van het zandtransport langs de kust. ( Misschien hier een plaatje met pijlen die de verschillende stromen uitleggen/verduidelijken.)

De golfwerking

rest stromen in Noordzee. Bron: Wereld in Werking (Malmberg)
Reststromen
De richting van het zandtransport wordt dus bepaald door de reststroom. Vervolgens zorgt de golfwerking ervoor dat het zand ook daadwerkelijk aan land komt.

Dichtbij de kust wordt de zee ondieper. De golven uit de zee worden hierdoor aan de onderkant afgeremd door de zeebodem en als gevolg van deze afremming ‘ breken’ de golven en wordt er zand van de zeebodem losgewoeld. Door het breken van de golven ontstaat een branding. De brandingsgolven werpen het zand bij vloed op het strand.

Als het zand vervolgens bij eb opdroogt, kan de wind het zand landinwaarts verplaatsen en kunnen strandwallen ontstaan. (Het zand verplaatst zich pas als de wind met een snelheid van meer dan 5 meter per seconde over kaal en opgedroogd los zand waait.) Zoutminnende planten leggen het zand vervolgens vast, waardoor bovenop de strandwallen duinen kunnen ontstaan.

Duinvorming

bron: Wereld in Werking (Malmberg)
Opbouw Duinlandschap
De zoutminnende planten ( vooral het biestarwegras) leggen de kleine duintjes vast en houden nieuwe zandkorrels tegen, waardoor de duinen steeds hoger worden. Na ophoging kan helmgras zich vestigen: een grassoort die zeer geschikt is voor het vastleggen van overstuivend zand en erg goed tegen droogte kan.

Alle kleine duintjes vormen uiteindelijk een gesloten duinenrij. Deze duinenrij kan zich ontwikkelen tot een zeereep: een hechte zeewering die hoog genoeg en waterkerend is bij een stormvloed. Een zeereep kan wel meer dan 20 meter hoog worden en kan zich zowel tegen een bestaande zeereep vestigen, of iets er vanaf. Dit laatste kan bijvoorbeeld gebeuren als een brandingsrug zo hoog wordt dat hij bij eb droogvalt. Het zeewater dat tussen de beide zeerepen ligt kan dan verzoeten, en uiteindelijk ontstaat er een veen- of een kleilaag. Deze nieuwe vlakte tussen de duinen noemen we een primaire duinvallei.

De totstandkoming van oude duinen

De oudste, nog bestaande, strandwal met duinen van Nederland ontstond ongeveer 5000 jaar geleden. Tot aan het begin van de jaartelling ontstonden nieuwe strandwallen met duinen. Deze kwamen steeds wat hoger te liggen omdat de zeespiegel bleef stijgen. De duinen die in deze periode gevormd werden, noemen we oude duinen. De oude duinen hebben een hoogte tot ongeveer 10 meter. Tussen de rijen oude duinen liggen primaire duinvalleien.

De totstandkoming van de jonge duinen

Ongeveer 500 jaar voor Christus begon de zee opnieuw te stijgen. Een hele harde westenwind zorgde voor stormvloeden die hele stukken van de kust afsloegen. De oude duinen werden op veel plaatsen gedeeltelijk weggeslagen, en op sommige plaatsen werden de oude duinen zelfs helemaal vernietigd. Om deze reden vind je aan de kust van zuidwest en noord Nederland geen oude duinen meer.

Door de kusterosie kwam er veel zand vrij. Dit zand heeft in de periode van 1200 tot 1600 na Christus de jonge duinen gevormd. In Noord- en Zuid-Holland liggen deze jonge duinen bovenop de oude duinen. Hoe ouder de duinen, hoe verder landinwaarts ze liggen. Bovendien is het zo dat de jonge duinen veel hoger en reliëfrijker zijn dan de oude duinen: de jonge duinen kunnen meer dan 50 meter hoog worden.

Secundaire duinen

Zoals al gezegd is het duinlandschap een dynamisch landschap, dat eigenlijk altijd in beweging blijft. Door kusterosie en wind kan het zand van de duinen opnieuw gaan verschuiven. Dit gebeurt vooral bij de jonge duinen aan de kust, aangezien die nog de minste plantengroei hebben (en het zand dus nog niet zo goed vast ligt) en het meeste te lijden hebben onder de kracht van de zee.

Op plaatsen waar het zand van de duinen niet goed vast ligt (omdat er nog maar weinig planten groeien of omdat planten verdwenen zijn) kan er winderosie optreden. De wind blaast dan als het ware een gat in de duinen, waardoor zogenaamde windkuilen ontstaan. De windkuilen kunnen zelfs zo diep worden dat ze dichtbij het niveau van het grondwater komen.

De vlakten die door de uitblazing door de wind ontstaan, worden secundaire duinvalleien genoemd.Omdat de secundaire duinvalleien zo dicht bij het niveau van het grondwater liggen, hebben ze vaak een vochtige bodem. Soms is er zelfs sprake van een meertje.

Plantengroei

Hoe dichter bij de zee, hoe dynamischer het duinlandschap is. Door de invloed van de zee en de wind blijft het landschap veranderen. Veel planten kunnen niet in een zoute omgeving met zulke dynamische (wisselende) omstandigheden leven. Het aantal plantensoorten dichtbij de zee is dus maar beperkt. We zouden kunnen zeggen dat hoe hoger de dynamiek van het landschap is, hoe lager de diversiteit van de planten is (dus hoe minder plantensoorten er zijn). Planten die de dynamische omstandigheden wel aankunnen, zijn bijvoorbeeld zandhaver en blauwe zeedistel. Deze planten komen alleen in de duinen voor.

Meer landinwaarts in de duinen neemt het aantal plantensoorten toe. De planten die daar in de duinen groeien, komen ook elders in Nederland wel voor. De combinatie van de planten is echter wel uniek, en kenmerkend voor het duingebied. Bovendien is het zo dat hoe meer landinwaarts we komen, hoe verder de successie gevorderd is.

Succesie

Van successie in de ecologische zin is sprake wanneer een leefgemeenschap dankzij natuurlijke processen wordt opgevolgd door een volgende. Wanneer je een kaal oppervlak hebt, dan zullen zich daar na enige tijd organismen vestigen. De eerste organismen zijn specialisten in het innemen van zo'n gebied; ze hebben over het algemmen een korte levenscyclus en ze vermeerderen zich razendsnel. Voorbeelden: riet en wilg op droogvallend land, helmgras in een zandverstuiving, korstmos op steen en akkeronkruiden op pas geploegd land.
De functie van de pioniersplanten in de successie is dat zij de omstandigheden maken waardoor de volgende organismen hun niche kunnen innemen. Dit betekent voor planten dat de grond structuur krijgt, dat er lucht en leven in de bodem komt. Een eik en beuk groeien slecht op verse klei; pas na een aantal jaar met riet, wilg en populier groeien ze goed. Wanneer de mens niet in een gebied ingrijpt, zal de pioniersbiotoop verdwijnen. Nieuwe soorten nemen hun plaats in en de stabiliteit van het milieu neemt daardoor toe. Er zijn steeds meer processen die elkaar beïnvloeden en reguleren.
Op een gegeven moment is een biotoop ontstaan waar geen nieuwe organismen bij komen. Er komen geen organismen bij, ofwel omdat ze uitgestorven zijn of omdat het niet mogelijk is om het nieuwe gebied te bereiken. Ook wanneer organismen ontbreken die theoretisch in een milieu thuishoren, ontstaat een climaxsituatie. Door het ontbreken van de soorten, maar vooral door het openblijven van de niche, zal de stabiliteit van het milieu verminderd zijn.

Het bodemgebruik in het duinlandschap

Het bodemgebruik in het oude duinlandschap is anders dan het bodemgebruik in het jonge duinlandschap.

Het bodemgebruik in het oude duinlandschap

Het oude duinlandschap heeft weinig reliëf en was mede door de stevige ondergrond van de strandwallen een goede plek voor bewoning. Door de natte ondergrond was het oude duinlandschap echter niet zo geschikt voor landbouw. De drassige strandvlaktes werden gebruikt als weiland en voor uitbreiding van het woongebied. Daarvoor moesten de strandvlaktes echter wel eerst ontwaterd worden. Bovenop de strandwallen vinden we vooral bos.

Rond de 17e eeuw is de bloembollenteelt in opkomst. Om bloembollen te kunnen verbouwen, is een kalkrijke bodem en een constante grondwaterstand van 55 cm onder het oppervlak noodzakelijk.

Om dit mogelijk te maken, werden de oude duinen afgegraven. Op deze wijze werd de kalkarme uitgespoelde bovenlaag weggehaald, zodat er een kalkrijke bodem vrijkwam. De bodem werd afgegraven tot 55 cm boven het grondwaterpeil en was minder reliëfrijk, waardoor de bloembollenteelt mogelijk werd. De afgegraven vlakten die hierdoor ontstonden, noemen we geestgronden.

Het bodemgebruik in het jonge duinlandschap

Ook het reliëfrijke jonge duinlandschap was niet echt geschikt voor de landbouw. De jonge duinen werden gebruikt als zeewering en vooral voor de drinkwaterwinning. Onder de duinen zit namelijk een zoetwaterbel. Deze zoetwaterbel ontstaat doordat regenwater in het duinzand wegzakt. Omdat zoet water een kleinere dichtheid heeft dan zout water, blijft het regenwater op het zoute water drijven. Op deze manier ontstaat een zoetwaterbel. Voor elke meter die het grondwater boven NAP uitsteekt, is 40 meter zoet water onder NAP aanwezig.

Om het drinkwater te kunnen verzamelen, plaatste men waterbakken in de duinen. In 1853 komen de eerste drinkwaterbedrijven, die het drinkwater uit de duinen oppompten.

Problemen in het duinlandschap

In het duinlandschap treden enkele problemen op. Deze problemen worden zowel door de natuur als door de mens veroorzaakt. Een van de problemen die in het duinlandschap ontstaan, is de kustafslag.

Kustafslag

De dynamiek aan onze kustlijn kan voor problemen zorgen. Terwijl de kust op sommige plaatsen breder wordt door zandtoevoer, is er door de invloed van water en wind op andere plaatsen weer sprake van kustafslag. Om de kustafslag tegen te gaan, worden de bedreigde stranden door Rijkswaterstaat opgehoogd. Toch blijkt de Nederlandse kustlijn nog steeds verder landinwaarts te verschuiven.

Verdroging

Een ander probleem waarmee het duinlandschap te kampen heeft, is verdroging. De verdroging van het duinlandschap heeft verschillende oorzaken.

Een van deze oorzaken is de drinkwaterwinning in de duinen. Deze mag dan voor de mens een uitkomst zijn, voor de natuur is zij dat allerminst. Door het oppompen van het water uit de zoetwaterbel daalt het grondwaterpeil in de duinen, waardoor deze langzaam verdrogen.

Een andere reden voor de verdroging van de duinen is de ontwatering van de polders door de boeren. De boeren ontwateren polders in de buurt van het duinlandschap om ze geschikt te maken voor landbouw. Door deze ontwatering daalt de grondwaterstand in de duinen, wat leidt tot verdroging.

Ook door herbebossing van de duinen kan verdroging ontstaan. Op veel plaatsen zijn loofbomen vervangen door naaldbomen. Omdat naaldbomen geen blaadjes verliezen en dus het hele jaar door verdampen, verdampen ze veel meer water dan loofbomen. Dit kan ook leiden tot verdroging.

Vervuiling en recreatie

Om de verdroging tegen te gaan, werd vanaf de jaren ’50 water in de duinen gespoten. Dit noemen we infiltratie. Het water kwam echter uit rivieren en was van een hele andere aard dan het water dat oorspronkelijk in de duinen zat: het water uit de rivieren is voedselrijk, en het water uit de duinen is dit niet. Als gevolg van het voedselrijke water werd de duinflora langzaam maar zeker vervangen door planten die eigenlijk niet in het duinlandschap thuis horen.
Vervuiling van de duinen gebeurt ook door de recreatie in het duingebied. Mensen die naar zee gaan, laten zwerfafval achter op de stranden en in de duinen. Ook vertrappen ze de duinplanten die het zand van de duinen vast moeten houden. Hierdoor krijgt de wind vrij spel en kan er duinerosie ontstaan.

Het duinlandschap is een dynamisch en divers landschap, en juist door deze eigenschappen is het duinlandschap ook erg kwetsbaar. Er moet dus goed voor het duinlandschap gezorgd worden!